De hel, geschiedenis en toekomst

[Tekst van de lezing die ik gegeven heb in de Pauluskerk in Breukelen, op 25 sept 2013, t.g.v. een thema-avond over de hel. De avond werd ingeleid door ds. H.H. Schorren, predikant van de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk in Breukelen. Het geheel is na te beluisteren via http://www.kerkomroep.nl]

Het bestaan van een hiernamaals behoort in het Christendom tot één van de meest prominente dogma’s.
In de christelijke leer zoals wij die in het westerse deel van de christelijke kerk kennen is de hel een noodzakelijke tegenvoeter van de hemel: bestaat er een eeuwig leven? Dan ook een eeuwige verdoemenis!
Zo is de officiële christelijke leer.
Het werd niet meer zo vaak hardop gezegd maar ik hoorde het niet lang geleden toch weer in een preek die ik via internet beluisterde. De hel zou nodig zijn om het geluk van de zaligen in de hemel des te sterker te laten uitkomen. Ten behoeve van het besef van de zaligen. Deze stelling werd met veel overtuiging ten gehore gebracht.
Er was in die voorstelling geen sprake van enig mededogen met degenen die het vreselijke lot van de hel moeten ondergaan. Deze voorstelling van de hel behoort tot de meest prominente in de christelijke traditie.
Omdat er vanavond ruimte is voor een bijbelse insteek heb ik de mogelijkheid om de christelijke traditie kritisch te volgen vanuit de Heilige Schrift.
Het aantal bijbelteksten heb ik zoveel mogelijk beperkt gehouden. Ik besefte dat een veelheid aan bijbelteksten vermoeiend kan worden. Ik hoop dat ik in mijn opzet geslaagd ben. Tenslotte lees ik de gelijkenis van Lazarus en de rijke man uit Lukas 16, maar eerst de proloog. Omdat die er toe doet. Daarna volgt een interpretatie.
Daarna een slotwoord met een Joods accent.

Hel en christendom
De geschiedenis van de hel valt niet samen met de geschiedenis van het christendom.
Het is een discussie apart waar we de geschiedenis van het christendom moeten laten beginnen. Ik kies er voor om de kerkgeschiedenis te laten beginnen met Paulus. Hij staat te boek als de Apostel van de heidenen.
De gemeenten die hij stichtte waren gemeenten die waarschijnlijk voornamelijk uit heidenen bestonden.
Die christelijke gemeenten ontleenden hun toerusting aan datgene wat Paulus en zijn medewerkers meedeelden over Jezus en wat er rond Hem gebeurd is en uit  de Heilige Schrift van de Joden; het Oude Testament.
De Evangeliën zijn geschreven om dienst te doen als middel tot toerusting van de jonge christelijke gemeenten.

De gemeenten in Griekenland, Klein-Azië en Italië weekten vanaf het einde van de eerste eeuw los van het Jodendom.
In diverse geschriften van Apostolische Vaders,de leerlingen van de Apostelen, was al sprake van een heftige anti-Joodse mentaliteit. Joodse begrippen in het Nieuwe Testament kregen een totaal andere betekenis.

De rol van de staatskerk
De traditie van de hel is in allerlei varianten leidend geweest vanaf de vierde eeuw tot vandaag. Door toedoen van die traditie heeft de hel een belangrijke hefboomwerking gekregen bij de verkondiging van de leer van de kerk. Dit proces is begonnen met het ontstaan van de staatskerk tijdens keizer Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer van het Romeinse Rijk. Vanaf die tijd werd het steeds belangrijker om christen te zijn. De reden om christen te worden werd steeds vaker ingegeven door opportunistische motieven.
De noodzaak erbij te blijven horen in de maatschappij. Na 380 telde je niet meer mee in de maatschappij als je geen christen was. Grote groepen mensen traden toe tot de kerk. Maar lang niet al die mensen waren echt gemotiveerd voor het christelijk geloof. Het hoge zedelijke peil, dat de christenen tot dan toe kenmerkte, nam sterk af.
Er was naar het oordeel van de geestelijkheid iets nodig om de mensen ervan te doordringen dat er ernst moest worden gemaakt met de heiliging van het leven. Preken over de hel was daarbij een geschikt middel. Angst voor de hel werd een belangrijke hefboom ten gunste van de doorwerking van de leer van de kerk.
Het Evangelie klonk niet langer als een openbaring die blijdschap opleverde.
Er kwamen gemengde gevoelens bij. Er kwam angst bij en die angst is sindsdien een grondstemming geweest in de geloofsbeleving van veel christenen.
Uiteindelijk werd, in 543, tijdens het tweede concilie van Constantinopel het eindeloze karakter van de hel als dogma vastgesteld. Origenes, die er anders over dacht, op theologische gronden, werd daarom driehonderd jaar na zijn dood veroordeeld als ketter.

De tweede en de derde eeuw
De omstandigheden waaronder de strenge leer van de christelijke hel tot stand is gekomen roept een vraag op: hoe werd er in de vroege kerk, de eerste drie eeuwen van het christendom, gedacht over hel en oordeel?
Ik begin met de tweede eeuw van het christendom.
Vanuit dat startpunt ga ik de theologie van Paulus, de theologie van het oerchristendom, belichten vanuit de tekst van het Nieuwe Testament.
Maar eerst iets over het Jodendom van de eerste eeuw.

De hel en het Jodendom
In de vroege kerk was het woord ‘hel’ niet in zwang. Men sprak van ‘het Vuur’, dat werd voorgesteld als een louteringsvuur. De grondgedachte van loutering is ontleend aan het Jodendom. In die lijn wordt de hel door de bekende Rabbijn Evers ‘de grote wasmachine’ genoemd.
De Joodse voorstellingswereld van wat wij de hel noemen wijkt sterk af van die van het christendom. Binnen het Jodendom staat het leven op aarde centraal. Ook de manier waarop Joden ermee leven. Hier op aarde ligt onze opdracht en de beoordeling van ons leven is aan God.
De Talmoed leert dat er in de komende wereld geen sprake meer zal zijn van het een hel.
Ook in de Zohar, het heilige boek van de Kabbala, de Joodse mystieke traditie, is de hel geen blijvende toestand. De laatstgenoemde traditie is nog betrekkelijk jong, ze is ontstaan na de twaalfde eeuw. Maar de wortels van deze traditie gaan terug tot Philo.

Over het karakter van de hel in het Jodendom zijn de meningen verdeeld. Dat heeft vaak als oorzaak dat het niet goed begrepen wordt. De reiniging van de zielen wordt in het Jodendom voorgesteld als een proces dat kan plaatsvinden in een groot aantal verdiepingen. Onwillige zielen dalen steeds dieper.
De onderste verdieping is de eigenlijke hel waar geen terugkeer uit mogelijk is. Alleen de meest onwillige zielen – en dat zijn er niet veel – komen in de hel, het Gehinnom. ´Het Gehinnom is Joods jargon voor wat wij de hel noemen.
Uiteindelijk verdampen die zielen.
Er is in deze Joodse voorstelling geen sprake van een eeuwige straf maar van uiteindelijke vernietiging van degenen die hardnekkig blijven.

De vroege kerk
Terug naar de vroege kerk. Er zijn drie verschillende stromingen te onderscheiden.
De omvangrijkste stroming was die van het universalisme, de alverzoening. Deze leer houdt in dat alle mensen, al dan niet na een tijdelijke straf, uiteindelijk door de genade van Christus gered worden.
Deze stroming had maar liefs vier van de zes theologische opleidingen die er in die tijd waren: Alexandrië, Caesarea, Antiochië en Edessa.
Naast de alverzoening waren er twee nevenstromingen. De kerkvader Tertullianus (160-230) leerde in Carthago de eindeloze hellestraffen en in Ephesos was een catechetenschool gevestigd waar de uiteindelijke vernietiging van de goddelozen werd onderwezen.

De eerste eeuw en het universalisme van de Apostel Paulus
Ik denk dat de sterke neiging tot alverzoening in de vroege kerk te herleiden is tot de prediking van Paulus. De apostel Paulus schrijft op vrij veel plaatsen in zijn brieven over het heil voor alle mensen.
Ik zie geen reden om ervan uit te gaan dat Paulus op die plaatsen iets anders heeft bedoeld dan wat hij schreef.
Augustinus meende dat Paulus doelde op alle soorten mensen. Deze escape wordt nog vaak gehanteerd.

Maar de context bij Paulus is helder.
Ik noem twee citaten:

Rom 5:18 (NBV)
Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven.

Paulus komt in deze uitspraak tot een slotconclusie vanuit een langer betoog.
Die conclusie luidt dat alle mensen zijn veroordeeld door de zonde van één mens (Adam) en dat alle mensen worden vrijgesproken door de rechtvaardigheid van één mens (Jezus Christus).
Deze uitspraak zou haar zin verliezen als de populatie die aangeduid worden met het woord allen niet beide keren dezelfde groep betreffen.

Het tweede citaat:

Rom 11:32 (SV)
Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.

‘Hen allen’ gaat in het verband van de tekst over de Joden. Maar omdat de Joden in de bijbel representatief staan voor de hele mensheid moet de tekst evengoed betrekking hebben op alle mensen.
De tekst houdt in dat de hele mensheid Adam heeft nagevolgd in het zondigen en God heeft die situatie aangewend om een omkeer te bewerken ten goede. Op die manier schenkt God de gehele mensheid vergeving van zonden. Via die weg toont God zijn rechtvaardigheid.

Er zijn nog veel meer citaten te noemen die het universalisme van Paulus’ prediking bevestigen. Ik houd het bij deze twee.

Eeuwige verlorenheid?
Paulus is er in diverse uitspraken duidelijk over dat er mensen verloren gaan.
Er is geen reden om deze uitspraken uit te spelen tegen de duidelijke universalistische uitspraken van Paulus. Ze spreken elkaar ook niet tegen.
Toch staat er een uitspraak in de bijbel, die in de aanhef van 2 Thess. wordt toegeschreven aan Paulus maar dat wordt betwist.

2 Tess 1:9 (HSV)
Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht

Het gaat hier over degenen die geen godsbesef hebben en over hen die het evangelie niet gehoorzaam zijn.

De betekenis van het Griekse woord dat doorgaans  vertaald wordt met eeuwig kan geen argument zijn voor een eeuwige verlorenheid. Het Nederlands kent geen geschikt vertaalwoord voor dit Griekse begrip. Het woord αιων = eeuw of αιωνιος = eeuwig heeft niet als betekenis een oneindige tijd. Het kan een onafzienbare tijd betekenen, gedacht vanuit onze menselijke beperkingen. Maar het is altijd een tijdsduur met een begin en een einde.
De teksten waar de diverse bijbelvertalingen een eeuwig oordeel noemen kunnen dus niet worden aangevoerd als argument dat Gods straf eindeloos zou zijn.
Als het oordeel echt eeuwig zou zijn in de zin van eindeloos dan moet dat uit andere bijbelpassages blijken maar die passages zijn er niet.

Het begrip eeuwig staat voor de context waarin het gericht plaatsvindt: ‘betrekking hebbend op de toekomstige eeuw’,

Het Koninkrijk en het Eeuwige leven

Twee begrippen:

  • het Koninkrijk van God,
  • het Eeuwige leven

Deze begrippen hebben in de loop van de kerkgeschiedenis een andere betekenis gekregen. Aanvankelijk waren het verschillende uitdrukkingen voor het  Messiaanse Rijk op aarde. Binnen het christendom functioneren deze begrippen in de sfeer van een hemelse toekomst.
Ik wil de hemel niet ontkennen maar ik ontken wel dat de Bijbelse uitdrukking ‘het eeuwige leven’ betrekking zou hebben op het naar de hemel gaan na het sterven. De christelijke verwachting van de hemel als bestemming wordt ook beleden als een voorlopige verwachting. Er is immers ook de verwachting van de opstanding uit de doden en het ingaan in het Koninkrijk. De verwachting van de opstanding lijkt binnen het christendom wat naar de achtergrond te zijn verschoven.

De noodzaak van een oordeel
Nog een citaat van Paulus over het oordeel van God over degenen die het kwade hebben teweeggebracht:

Rom 2:9-10 (HSV)
Verdrukking en benauwdheid zullen komen over de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt, eerst over de Jood, en ook over de Griek, maar heerlijkheid en eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek.

Ik heb hier bewust de HSV gekozen omdat hier erg letterlijk wordt vertaald: ‘de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt’.

De praktijk van het leven leert dat niet ieder die het kwade werkt tijdens het leven de rekening gepresenteerd krijgt en tot inkeer komt. Vandaar dat er in Psalm 73 geklaagd wordt over de voorspoed van de goddelozen. De SV en de HSV laten terecht de mogelijkheid open dat het oordeel na dit aardse leven plaatsvindt.
Ook in de vroege kerk werd alverzoening niet geleerd in de platte zin van ‘iedereen komt in de hemel’, zonder meer.
Ook Origenes, die zelfs geloofde dat uiteindelijk de duivel gered zal worden, heeft het oordeel indringend geleerd.
Het accent op de alverzoening in de vroege kerk is onmiskenbaar te herleiden tot de aard van Paulus’ prediking binnen het oerchristendom en tot voorstellingen binnen het Jodendom over de loutering van de zielen.

In de Rooms Katholieke traditie is sprake van een ontspannen omgang met deze tradities van de vroege kerk.
Waarschijnlijk komt dat omdat de Rooms Katholieke Kerk naast de hel ook een vagevuur kent:  gelovigen die hun zonden tijdens hun leven niet geheel hebben uitgeboet worden in het vagevuur gelouterd waarna ook zij in de hemel kunnen worden toegelaten.

Binnen de Rooms Katholieke kerk is sprake geweest van een minimale heilsverwachting (Augustinus) en een maximale (Origenes, Theresia van Lisieux, Gregorius van Nyssa, Paus Johannes XXIII, Hans Urs von Balthasar, Karl Rahner en volgens sommigen ook Paus Johannes Paulus II). Ook Paus Benedictus XVI geeft blijk van een neiging richting alverzoening in zijn encycliek Spe Salvi (in hoop gered 2007).

Benedictus gaat ervan uit dat er heiligen zijn en zondaars die alle liefde in hun leven hebben vertrapt, maar dat ‘de ervaring leert dat noch het één, noch het ander het normale geval is in het menselijk bestaan. Bij verreweg de meeste mensen, zo mogen we aannemen, blijft er een laatste, innerlijke openheid voor de waarheid, voor de liefde, voor God, aanwezig in het diepste van hun wezen.’ De ontmoeting met God zal ongetwijfeld een pijnlijke ontmoeting zijn, zo stelt Benedictus, maar:

in de pijn van deze ontmoeting, waarin ons het onreine en zieke van ons bestaan geopenbaard wordt, is redding. Zijn blik, de aanraking van Zijn hart, geneest ons in een ongetwijfeld pijnlijke omvorming “om zo te zeggen, door het vuur heen”. Maar het is een zalige pijn, waarin de heilige macht van Zijn liefde ons brandend doordringt, zodat wij eindelijk geheel onszelf worden en daardoor geheel aan God toebehoren.

De hel en de praktijk van het geloof
Wanneer gaat iemand, volgens de christelijke traditie, naar de hel?

Laat ik ermee beginnen te zeggen dat de prominente christelijke maatstaven door de orthodoxe stroming van het christendom zijn gedicteerd.
Er zijn diverse stromingen binnen het christendom die hier verschillend over denken. In een min of meer ‘vrijzinnige’ context wordt de gelovigen een eigen zoektocht gegund: wat reikt de traditie ons aan en wat kunnen we handhaven in onze manier van geloven en wat niet. Hoe kunnen we de Bijbelteksten opnieuw lezen en vruchtbaar doen zijn in ons persoonlijk leven en ons leven met elkaar.
Historische realiteit is echter dat er in de vroege kerk veel strijd is geweest over de leer en uiteindelijk heeft de orthodoxe stroming die strijd gewonnen. De leer van de orthodoxe stroming komt hier op neer:

Zij die niet geloven in gehoorzaamheid aan de leer van de kerk gaan naar de hel.

Daarnaast heeft het ook te maken met hoe iemand geleefd heeft en de trouw van de kerkgang doet er ook toe.
Een katholiek belijdenisgeschrift dat zowel door de Rooms Katholieke traditie als door de Gereformeerde Reformatie wordt erkend is de geloofsbelijdenis van Athanasius. De eerste twee artikelen van deze belijdenis luiden:

1. Al wie behouden wil worden, heeft voor alles nodig, dat hij het katholieke geloof vasthoudt.
2. Wie dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan.

Deze geloofsbelijdenis gaat over de leer van de drieëenheid.

Gods rechtvaardigheid
En dan is er nog de Bijbelse notie van gerechtigheid. Hoe  zal er in het goddelijke gericht recht gedaan worden, met het oog op de slachtoffers in de wereld.
Hoe zit het met de slachtoffers die niet in Jezus Christus hebben geloofd?
Gaan deze slachtoffers van een hel op aarde rechtstreeks naar een hel in het hiernamaals?
De Rooms Katholieke opvatting is dat de mensen van goede wil, die niet geloofd hebben toch in de hemel kunnen komen.
In het orthodoxe gereformeerde geloof bestaat strikt genomen de categorie ‘mensen van goede wil’ niet. Elk mens is per definitie onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
De slachtoffervraag stellen kan zelfs taboe zijn: ze wordt veelal afgedaan met schijnantwoorden of gepareerd met de mededeling dat God rechtvaardig is en dat wij, zondige mensen, Gods rechtvaardigheid nu eenmaal niet kunnen begrijpen. In Romeinen 3:25,26 echter schrijft Paulus dat God zijn rechtvaardigheid toont aan de mensen. Volgens de apostel Paulus is Gods rechtvaardigheid dus een voor mensen herkenbare eigenschap van God.

Hoe het ene, het geloof, met het andere, de praktijk van het leven, in verhouding staat is binnen het gereformeerde deel van het protestantisme niet geheel helder. Het wettische leven werd via de leer van de rechtvaardiging buiten boord gezet maar als leerregel der dankbaarheid in het derde deel van de Heidelbergse Catechismus via de achterdeur binnenboord gehouden. Waar ligt de grens? Wanneer is iemand vroom genoeg of niet vroom genoeg geweest in het leven? Wanneer is iemand dankbaar genoeg geweest voor de genade en wanneer niet? De reformatorische geloofsbeleving is sterk vatbaar voor een eenzijdig individualistisch accent dat kan resulteren in zwaarmoedig getob over de vraag of het allemaal wel genoeg is geweest.

Ook kunnen gelovigen worstelen met de vraag hoe het nu zit met in ongeloof gestorven familieleden.
Het is merkwaardig dat Paulus en andere apostelen nergens iets hebben geschreven over dit soort problematiek. En in andere delen van de Heilige Schrift valt er niets van te bespeuren. Mijn conclusie is dat het probleem in bijbelse tijden niet bestond.
Het probleem is pas enkele honderden jaren na Christus ontstaan. Door toedoen van prediking van angst en toenemende macht van de kerk.

De hel van C.S. Lewis
Een omvangrijke groep moderne orthodox gereformeerden  heeft gezocht naar een alternatief, los van oude spagaten.
Het gaat dan om kerkleden die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond binnen de PKN, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Binnen deze kerken is ook een alternatieve visie op de hel populair geworden.
Het gaat dan over de opvatting van C.S. Lewis. Lewis leefde van 1898-1963. Hij was in Ierland geboren en werd een Brits schrijver, letterkundige en christelijk apologeet.
Volgens Lewis zijn er twee soorten mensen: zij die wel in Jezus geloven en zij die niet in Jezus geloven. Op die manier ziet Lewis de hel als een zelfgekozen weg. ‘Uw wil geschiede’ zal God uiteindelijk tegen de ongelovigen zeggen. De hel is in die optiek een plaats die niet door God is geschapen en God is daar ook niet. De hel is in de voorstelling van Lewis te vergelijken met een donkere sombere stad waar mensen een naargeestig bestaan leiden en elkaar het leven zuur maken.

Je zou de hel van Lewis kunnen omschrijven als ‘hell-light’.
Het lijkt minder erg omdat de mensen die er verblijf houden hun aardse bestaan met hun normale manier van doen gewoon kunnen voortzetten.
Maar wie dieper nadenkt moet tot de conclusie komen dat het een cynisch verzinsel is: Lewis vergeet met zijn onderscheiding van twee soorten mensen de slachtoffers in de wereld. In een hel als die van Lewis zullen zij evenzeer slachtoffer zijn als tijdens hun aardse leven.
De opvattingen van Lewis hebben bijval gevonden bij de de Amerikaanse predikant Tim Keller. Keller vertegenwoordigt in de Verenigde Staten de zo genoemde ‘nieuwe calvinisten’.
De leer van de uitverkiezing, die toch typisch gereformeerd genoemd kan worden, speelt geen enkele rol meer in deze groep. In de leer van de uitverkiezing, zoals die door Augustinus en Calvijn is gedicteerd, zijn verkiezing en verwerping elkaars tegenpolen. Ben je niet uitverkoren dan ben je voor eeuwig verloren.
Het is een karikatuur van de bijbelse notie van het uitverkoren zijn.
In de Bijbel is een uitverkorene iemand die door God vooruitgeschoven is om een missie uit te voeren. Iemand ie uitverkoren is, is iemand die dient. Andere mensen moeten er bij getrokken worden.

Recente ontwikkelingen
Sinds de laatste decennia wordt er steeds meer getwijfeld aan het bestaan van een plaats waar mensen voor eeuwig gestraft zouden worden voor zonden die ze in een tijdelijk leven hebben begaan. Natuurlijk weten we allemaal van het bestaan van zware misdadigers, de bekende namen zullen vanavond wel genoemd worden    . Maar wat te denken van een eeuwige straf?  De meeste mensen zijn middelmatig, ook in het zondigen. In dat licht wordt een eeuwige hellestraf als buitenproportioneel ervaren.

Kerkelijk bezwaarschrift Daaf Bokhout
Ook in meer behoudende delen van het Christendom is de hel voor een toenemend aantal gelovigen niet langer vanzelfsprekend.
Enkele jaren geleden, in 2008, werd binnen de Protestantse Kerk in Nederland een bezwaarschrift ingediend tegen een belijdenisgeschrift. Het gravamen van dhr. Daaf Bokhout. De reden van het bezwaar was de leer van de eeuwige straf. Dhr. Bokhout wilde de hel afschaffen.
Kerkelijke molens draaien niet altijd snel; de kerkleiding heeft er vier jaar op geploeterd en zat er waarschijnlijk ook mee in haar maag.
Opmerkelijk is dat alles uit de kast werd gehaald om traditionele definities te handhaven. Natuurlijk had dit te maken met belangen: orthodox gereformeerden binnen de PKN moesten binnenboord gehouden worden. Het zou teveel beroering wekken als het bezwaarde kerklid  teveel gelijk zou krijgen. Het spreekt vanzelf dat het bezwaarde kerklid niet zijn zin kreeg. Orthodox gereformeerden binnen de kerk konden opgelucht adem halen.
De synode van de PKN benadrukte uitdrukkelijk dat er in de kerk ruimte is voor  het standpunt van dhr. Bokhout.

Toenemende aandacht voor de hel in orthodoxe gemeenten
Al met al is duidelijk dat in het meer behoudende segment van het protestantisme de leer van de hel nog steeds belangrijk wordt gevonden. Er is de laatste jaren zelfs sprake van een toenemende aandacht. Niet alleen binnen het reformatorische en confessionele smaldeel van de kerk maar ook in een kring als het Evangelisch Werkverband binnen de PKN en sommige vrolijke uitbundige evangelische gemeenten hebben de hel zelfs prominent in hun belijdenisgeschrift staan.

De Gehenna-uitspraken van Jezus
Een veel gehoord argument voor het bestaan van een hel is de stelling dat juist Jezus Christus het meest van alle profeten over de hel heeft gesproken. Los van de vraag of dit waar is kan je daar de vraag tegenover zetten: hoe komt het dan dat Mozes, de profeten en de apostelen er niet over hebben geschreven? Wie de stelling roept heeft een probleem. Jezus deed niets anders dan verwijzen naar Mozes en de profeten. Hoeveel hel kan er dan geweest zijn in de woorden van Jezus? En waarom heeft Paulus de hel nooit genoemd?

In de beide Evangeliën Mattheus en Markus staan een aantal teksten over de Gehenna. In de klassieke bijbelvertalingen staat dit woord steeds vertaald met hel. In de NBG51 vertaling gebeurt dat 12 keer.
De vertalers van de NBG51 hadden oorspronkelijk dit woord niet met hel vertaald maar ze werden teruggefloten door een orthodox gereformeerd kerkgenootschap die dreigde zich uit de commissie terug te trekken.
Dus toch maar weer ‘hel’ voor Gehenna in de NBG51 vertaling. In de NBV komt het woord hel helemaal niet meer voor.

Gehenna betekent letterlijk: dal van Ben Hinnom.
Het is een dal bij Jeruzalem waar in de tijd van de koningen Achaz en Manasse kinderoffers werden gebracht aan de afgod Moloch. Dat was er de oorzaak van dat het dal vervloekt werd.
De aardrijkskundige lokatie ‘dal van de zoon van Hinnom’ is later model gaan staan voor een straf in het hiernamaals. De gehenna-uitspraken van Jezus worden doorgaans ook in die betekenis opgevat.
Het is de vraag of dit terecht is.

Ik geef een citaat

Markus 9:47-48 (NBV)
En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden,
waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.

Vers 48 is een citaat uit:

Jesaja 66:24 (NBV)
Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.

De situatie die genoemd wordt in Jes. 66:24 gaat over het dal van Ben Hinnom bij Jeruzalem. De tekst zegt dat in dat dal lijken worden verbrand. In dat verband wordt gesproken van een knagende worm die niet sterft en vuur dat niet uitdooft.
Hier is geen sprake van een eeuwig vuur in het hiernamaals maar van vuur op een aardse locatie. Er worden geen zielen getuchtigd maar lijken verbrand.

De centrale missie van Jezus
Het is van belang om hier de missie van Jezus te begrijpen.
Jezus roept op tot een radicale levenspraktijk volgens de Thorah. Dit houdt verband met de komst van het Koninkrijk dat aanstaande was. Het Koninkrijk zal doorbreken als het volk gehoorzaam Jezus navolgt. Het Koninkrijk zal uitgesteld worden als het volk niet navolgt. Uiteindelijk is het Koninkrijk niet gekomen en is het volk in ballingschap gegaan.
Er is in de tekst geen ruimte voor een grijs gebied tussen navolgen en niet navolgen. Niet navolgen uit zich uiteindelijk in het willen blokkeren van het Rijk van God. Jesaja 66:24 beschrijft het lot van de opstandelingen.
De Gehenna-uitspraken van Jezus staan in die context en gaan daarom niet over brandende zielen in een hiernamaals.

De diaspora
Diverse keren heeft Jezus de situatie van de diaspora genoemd:

Lukas 21:24 (NBV)
De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.

Matth 8:11-12 volgens de lezing van de Codex Sinaïticus
Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen; 12 maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgaan (exeleusontai = uitgaan) naar het uiterst duistere (ekblethesontai); daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

Doorgaans wordt er in de vertalingen gesproken van uitwerpen in de buitenste duisternis. De Codex Sinaïticus heeft hier een ander woord waarbij geen sprake is van uitwerpen maar van uitgaan. Deze lezing houdt in dat de kinderen van het Koninkrijk – het volk Israël – zelf uitgaan en  dus niet worden uitgeworpen. Waarheen gaat het volk? Het volk gaat in de verstrooiïng, de diaspora. De situatie van de diaspora is voor Israël een uiterst duistere situatie geworden. In deze tekst wordt die situatie getypeerd met de woorden ‘geween en tandengeknars’.

De vuurpoel
In de Openbaring aan Johannes is op diverse plaatsen sprake van de poel die brandt van vuur en zwavel.

Er zijn verschillende benamingen :

  • de poel van vuur en zwavel
  • de poel die brandt van vuur en zwavel
  • de vuurpoel

Deze poel is een zinspeling op de Dode Zee. De Dode Zee en de directe omgeving staan in verband met de steden Sodom en Gomorra waarvan we lezen in het boek Genesis. In het oordeel dat beschreven wordt in de Openbaring aan Johannes worden de dood, het dodenrijk, ‘het beest en de valse profeet’ in de vuurpoel geworpen.
Uiteindelijk ook allen die niet geschreven zijn in het boek van het leven.
Als we de Nieuwe Bijbelvertaling en vele andere bijbelvertalingen moeten geloven blijft de vuurpoel bestaan tot in eeuwigheid. Soms zelfs wordt vertaald ‘tot in alle eeuwigheden’. Letterlijk staat er echter: ‘tot in de eeuw van de eeuwen’. Het gaat hier om de voltooiïng.
De eeuw van de eeuwen is de finale eeuw, waarin alle dingen hersteld worden: het zijn de tijden van de wederoprichting van alle dingen, ook genoemd in Hand. 3:21. De beeldspraak sluit aan op de profetie van Ezechiël over de tempelbeek (Ezech. 47:8) Het water stroomt vanuit de tempel van het Nieuwe Jeruzalem door de oostelijke landstreek, dan naar beneden de Jordaanvalei in, en mondt uit in de Dode Zee. Wanneer het de zee instroomt wordt het water zoet.
Een parallel van dit gebeuren is te lezen in Openb. 22:1-2, waar het gaat over een rivier van levend water, die ontspringt aan de troon van het Lam. In Openb 22:2 is sprake van een genezend proces: de bladeren van de levensboom dienen tot genezing van de volkeren.

Lazarus en de rijke man
Jezus vertelde de gelijkenis van Lazarus en de rijke man in een heel speciale context. De gelijkenis werd door Jezus verteld direct naar aanleiding van de reactie van de Farizeeën op de gelijkenis over de corrupte rentmeester. Ik beperk de lezing tot de gelijkenis van Lazarus en de rijke man, voorafgegaan door de woorden die volgen op de gelijkenis van de corrupte rentmeester.

Lucas 16:10-31
10 Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. 11 Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? 12 En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
14 De farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor hem op. 15 Maar Jezus zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen altijd voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God.
16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen. 17 Maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat er ook maar één tittel van de wet wegvalt. 18 Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt overspel.
19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

Een belangrijk detail in het verhaal is de naam Lazarus. Waarom die naam? En waarom heeft de rijke man geen naam? Of is de identiteit van de rijke man misschien niet direct zichtbaar?
Een onbekend iemand kan aan de hand van bepaalde kenmerken worden geïdentificeerd. Kleding bijvoorbeeld: de rijke man draagt purperen gewaden en fijn linnen. Purperen gewaden werden in Bijbelse tijden gedragen door koningen (Esther 8:15),  fijn linnen door priesters (Exodus 28:5).
De rijke man wordt ‘kind’ genoemd in de tekst: kind van Abraham’. En later blijkt nog eens dat hij vijf broers heeft, net als de stamvader Juda, die vijf broers had. Allen zonen van stammoeder Lea. Dat waren Ruben, Simeon, Levi, Issakar en Zebulon.
De rijke man draagt koningskleding en priesterkleding. Het is een verwijzing naar het volk Israël dat tot roeping heeft een koninkrijk te zijn van priesters ten behoeve van de volkeren (Exodus 19:6).
Er is geen grotere tegenstelling denkbaar met Lazarus. Zijn huid was overdekt met zweren en honden die zijn zweren likten waren zijn enige gezelschap. Deze onreine man staat voor de onreine heidenen, de volkerenwereld. Lazarus draagt dezelfde naam als die van de Aramese knecht van Abraham, Eliëzer.

Met dit decor zet Jezus de denkwereld van de geestelijke elite van Zijn tijd totaal op zijn kop. In hun optiek is een kind van Abraham, een Jood, vanzelfsprekend bestemd voor het paradijs. Heidenen, niet-joden zijn onrein. Zij gaan na hun dood een vuuroordeel tegemoet. Het is een zelfvoldaan wereldbeeld dat Jezus hier op de hak neemt. In het wereldbeeld van de geestelijke elite was geen plaats meer voor de oorspronkelijke missie van Israël ten behoeve van de volkeren. Fijntjes staat het vermeld in het verhaal: Lazarus hoopt zijn maag te vullen met wat er overblijft van de tafel van de rijke man. Het is de essentie van het uitverkoren zijn als volk van God. Het is de missie van Israël het licht van de Thorah te laten schijnen naar de volkeren. Maar Lazarus krijgt niets om zijn maag te vullen.

De beschrijving van het vuuroordeel dat de rijke man moet ondergaan kan zo weggelopen zijn uit de voorstellingswereld van de Talmoed, de uitleg van de Thorah waar de Farizeeën bijzonder aan waren gehecht. Dat geldt ook de voorstelling waarbij Lazarus door engelen gedragen werd tot aan Abrahams hart. Eveneens de wijde kloof tussen de diverse delen van het dodenrijk is Talmoedisch.
Deze voorstellingswereld is niet te herleiden tot de Hebreeuwse bijbel. Het is de voorstellingswereld van de Farizeeën die hier door Jezus wordt gehanteerd.

Niet de Talmoed is hier uiteindelijk richting gevend, maar ‘Mozes en de profeten’, de Hebreeuwse bijbel. De rijke man smeekt Abraham om Lazarus naar zijn vijf broers te sturen. Hij wil dat zijn broers gewaarschuwd worden voor dit oord van kwelling. Zij hebben Mozes en de profeten, zo luidt het antwoord van Abraham.
In de boeken van Mozes en in de boeken van de profeten echter is helemaal niets te lezen over een plaats als hier beschreven wordt.

De spits van het verhaal blijft gericht op de eigenlijke missie van Israël, een licht te zijn onder de volkeren en dat is iets dat moet worden gepraktiseerd in het leven op aarde. En daarover is wel te lezen in Mozes en de profeten.
In de tekst van de NBV wordt de plaats in het dodenrijk  ‘dit oord van martelingen’ genoemd. En inderdaad kan het griekse woord βασανισμος (basanismos) marteling betekenen. Het grondbegrip  βασανος (basanos) echter staat primair voor een toetssteen waarop goud wordt beproefd.

Dit woord benadrukt het louterende doel van het vuur. De vraag van de rijke man om zijn vijf broers te waarschuwen geeft er blijk van dat de toetssteen effectief is.

De rijke man dacht tijdens zijn aardse bestaan altijd alleen aan zijn eigen belang.
Net als de Farizeeën, die in de tekst geldzuchtig worden genoemd.
De rijke man keek niet om naar de doodzieke Lazarus die honger leed aan zijn poort en liet de zorg voor Lazarus over aan de honden. Merkwaardig is dus nu de switch die de rijke man maakt. Nu bekommert hij zich al om zijn broers. Hij gaat er op vooruit.

Tenslotte vraagt de rijke man of Lazarus uit de dood mag opstaan om zijn broers te waarschuwen. Hij laat het er niet bij zitten en dring dus zeer aan. De gedachte is dat er zeker geluisterd zal worden als er iemand uit de dood opstaat. Abraham benadrukt: als zij niet luisteren naar Mozes en de Profeten zullen ze ook niet luisteren als er iemand uit de dood op staat.
Merkwaardig genoeg staat er in één van de Evangeliën inderdaad een Lazarus op uit de dood (Joh 11:11). Een hoofdstuk verder staat vermeld dat de hogepriesters beraamden om Lazarus te doden(Joh 12:9-11).

Evenredigheid van straf en de goddelijke proporties.
Het is een goed Joods gebruik om een verhaal positief te eindigen. Er is alle reden om dat ook te doen bij een verhaal over hel en oordeel.

Een aantal Bijbelpassages benadrukken een evenredigheid van straf naar de mate van het kwaad dat heeft plaatsgevonden. De straf heeft een totdat: evenals in de gelijkenis van de schuldenaars:
een schuldenaar kreeg zijn schuld kwijt gescholden. Maar hij had geen medelijden met een man die hem iets schuldig was. Die man moest hem tot de laatste cent betalen.
De schuldeiser van de ondankbare schuldenaar hoorde daarvan.
En dan staat er in

Matt 18:34-35
En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald
Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’.

Ook Jezus wist dus van een ‘totdat’.
Als illustratie noem ik de profetie van Amos. God doet recht aan de slachtoffers. Zo oordeelde God de koning van Edom omdat dit volk van geen ophouden wist en onverzadigbaar was in het oorlog voeren:

Amos 1:11-12 (Naardense Bijbel)
Zo heeft gezegd de Ene:
om drie misstappen van Edom
of om vier, zal ik hem niet kerkeren,-
maar wel omdat hij met het zwaard
zijn broeders achtervolgd heeft
en zijn ontferming heeft vernietigd;
zijn toorn blijft voor altijd verscheuren
en zijn verbolgenheid is immer waakzaam
ik zal een vuur uitzenden in Teman,-
dat Botsra’s paleizen zal verteren!

God maalt niet om drie of vier misstappen van Edom. Maar een mateloze toorn, die van geen ophouden weet, van Edom tegen zijn broeder is er de oorzaak van dat God actie onderneemt tegen de koning van Edom.

Als God rechtvaardig oordeelt handelt God volgens zijn eigen principe. En nergens staan de goddelijke proporties van gericht en goedheid zo kernachtig verwoord als in:

Psalm 30:6 (SV)
Want een ogenblik is er in Zijn toorn,
maar een leven in Zijn goedgunstigheid;
des avonds vernacht het geween,
maar des morgens is er gejuich

En als u de tekst liever in de NBV hoort:

Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

Over dkaashoek

Bijbel & Theologie
Dit bericht werd geplaatst in Actualiteit, Alverzoening, Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Hete hangijzers, Israël-debat, Nieuwe Testament, Oude Testament. Bookmark de permalink .

4 reacties op De hel, geschiedenis en toekomst

  1. sonicchristjan zegt:

    ik geloof niet dat de Dode Zee de vuurpoel is waarin satan en het beest en sinterklaas en de kerstman worden geworpen. Satan ligt namelijk niet wakker van wat vlammetjes. Hij zal in elk geval niet verbranden of pijn hebben.

    En wat is nu precies de Hades?

    En hoe weten we zo zeker dat de joden inderdaad de boodschap van genade afwezen?

    groet,

  2. sonicchristjan zegt:

    satan en het beest liggen niet wakker van een vuurpoel. Verbranden zullen ze toch niet, ze zijn geen menselijke wezens. En wat is nu precies de hades? behalve het ongeziene…

    mooi stuk verder…

  3. Dit is op Deze Dagen herblogden reageerde:
    prachstuk

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s