Geschiedenis van de hel – de hel volgens de bijbel en de christelijke traditie

Inleiding
Met deze blog wil ik een overzicht geven van de manier waarop het traditionele standpunt over de hel 1] tot stand is gekomen. De rol van de bijbel daarin is tweeledig. Wat mij betreft staat het schriftgezag niet ter discussie 2]. Wel staat ter discussie het gezag van bijbelvertalingen, omdat vertalers nu eenmaal min of meer de eigen traditie binnengedragen hebben in de diverse vertalingen 3]
   Het spreekt vanzelf dat het fenomeen woord-studie in dit artikel een belangrijke rol speelt: wat staat er in de originele handschriften van de bijbel en hoe zijn de afzonderlijke woorden en begrippen in de diverse vertalingen tot stand gekomen en hoe consequent is dat gebeurd.
Het tweede deel van de blog gaat over de hel in de preek. Hoe functioneert de traditionele leer in de preek en hoe gaat men daarbij om met de bijbel en de traditie. Ik gebruik daarbij twee recente voorbeelden. 

   Het derde deel van deze blog gaat over de vraag hoe het huidige denken over de hel tot stand is gekomen in de christelijke traditie. De manier van denken in de eerste vier eeuwen van het christendom is namelijk niet eenduidig geweest. Het is vooral een kwestie waarbij referentiekaders een belangrijke rol speelden. En dan gaat het vooral over tegenstellingen tussen aan de ene kant Griekse en Joodse en aan de andere kant Romeinse en Christelijke referentiekaders. 

De bijbel en de hel
Bij de vraag hoe vaak de hel genoemd wordt in de bijbel maakt het een groot verschil welke vertaling er wordt gehanteerd. In de NBG51 vertaling bijvoorbeeld komt het woord hel alleen voor in het Nieuwe Testament, terwijl volgens de Statenvertaling, de Herziene Statenvertaling en de Naardense Bijbel de hel ook voorkomt in het Oude Testament. En in de Nieuwe Bijbel Vertaling wordt de hel helemaal niet genoemd. Omdat er nu eenmaal ook sprake is van vertaaltradities is de vraag relevant: komt de hel ook voor in de Schrift, in de originele tekst van de bijbel?
Nergens in de Tenach, het deel van de bijbel dat wij doorgaans het Oude Testament noemen, lezen we van een verwachtingspatroon in de sfeer van voortleven tijdens de dood. In plaats daarvan is sprake van de onmogelijkheid God te loven in het dodenrijk (Jes 38:18, Psalm 115:17; vgl: Pred 9:5, 10). Het Oude Testament kent niet de idee van een onsterfelijke ziel 4]. De Schriftplaatsen laten er geen misverstand over bestaan: tijdens de dood is er geen sprake van bewustzijn. Volgens de Tenach gaan de doden, niemand uitgezonderd, naar de she’ol, het dodenrijk. Toch is het Hebreeuwse woord she’ol aanleiding geworden tot veel speculatie en in die lijn brengt de orthodoxe theologie dit woord in verband met een bewuste vorm van voortleven tijden of in de dood in een hiernamaals 5]. En dat terwijl het gebruik van het woord she’ol in de Tenach een heldere eenduidige betekenis heeft waarbij een scheiding van wegen, hemel en hel, niet wordt benoemd 6]. Orthodoxe theologen hebben daar iets op gevonden: in de tijd van het Oude Testament zou nog geen sprake zijn geweest van een heldere openbaring over het hiernamaals en Jezus zou dat manco hebben aangevuld. De gelijkenis van Lazarus en de rijke man (Lukas 16:19-31) wordt dan gezien als een moment waarop Jezus iets nieuws openbaarde. Er is veel te doen over het literaire genre van gelijkenissen in het algemeen en deze gelijkenis in het bijzonder maar de kwestie over het genre speelt geen of nauwelijks enige rol bij degenen die gelijkenissen beschouwen als verduidelijking van de boodschap met behulp van eenvoudige voorbeelden uit het dagelijks leven 7]. In die lijn wordt deze gelijkenis niet zelden gelezen als een verslag van wat er na de dood met mensen kan gebeuren. De merkwaardige rol van Abraham (Lukas 16:23, 24, 25, 29, 30) wordt dan gezien als aankleding van het verhaal zonder relevante betekenis binnen de uitleg van het verhaal. Evenals de details over de kleding van de rijke man (purper en fijn linnen – Lukas 16:19) en de vijf broers die hij in het verhaal heeft (Lukas 16:27) zouden er evengoed acht geweest kunnen zijn 8]. Het enige wat telt volgens deze benadering is dat de rijke man pijn lijdt in de hel (NB: hades!) als bewijs dat de hel echt bestaat en dat de rijke man geen naam heeft in tegenstelling tot Lazarus. Een antenne voor literaire elementen in beide gelijkenissen in Lukas 16 ontbreekt volkomen 9].

Hebreeuwse en Griekse tekst
Ons begrip ‘hel’ wordt in relatie gezien met één Hebreeuws woord in het Oude Testament; She’ol, en drie Griekse woorden in de grondtekst van het Nieuwe Testament; Hades, Gehenna en Tartaros. Bij geen van deze woorden past rechtstreeks het Nederlandse woord hel. Van belang is om te beseffen dat het vertalen van de bijbel veelal sterk samenhangt met de traditie, de theologische smaak van de vertalers. Dat de theologische voorkeur in combinatie met het vertalen van de bijbel problemen kan opleveren ligt voor de hand. Bepaalde vooronderstellingen kunnen namelijk aanleiding zijn tot een verward totaalbeeld waarbij een bepaald woord met hel wordt vertaald, zodra dat in theologisch opzicht verantwoord heet maar als dat laatste niet het geval is dan vertaalt men hetzelfde woord net zo makkelijk met het neutrale woord graf 10]

She’ol
In het volgende overzicht is de diversiteit aan weergaven van het woord she’ol in de diverse bijbeluitgaven in beeld gebracht. De meest orthodoxe vertalingen – SV en HSV tonen grote contrasten terwijl de Naardense Bijbel eveneens grote contrasten laat zien. De WV95 heeft ook veel varianten maar die zijn niet per definitie tegenstrijdig met elkaar.

Sheool

De meest concordante vertalingen van het woord she’ol – en die geven bij dit woord tevens de meest letterlijke vertaling – zijn te vinden in ISA, Schriftwoord van Wim Janse, NBG51 en NBV. She’ol betekent letterlijk onzichtbaar, aan het oog onttrokken 11]. ISA en Schriftwoord kiezen voor die basisbetekenis. NBG51 en NBV kiezen consequent voor dodenrijk, dood of onderwereld 12]. De SV en de HSV pendelen tussen de begrippen hel en graf, al heeft de HSV daarnaast zes maal het begrip ‘rijk van de dood’ als betekenis gehanteerd. De HSV vertalers kozen maar liefst achtenveertig keer voor het vertaalwoord graf: veel vaker dan in de SV het geval is. Het woord graf als vertaling voor she’ol functioneert eigenlijk als verlegenheidsvertaling. Het is bekend dat het begrip dodenrijk traditioneel gevoelig ligt binnen de doelgroep van de HSV maar toch lijken de HSV-vertalers te beseffen dat de betekenis in die richting moet worden gezocht 13]

Hades
De betekenis van het woord hades is gelijk aan dat van het Hebreeuwse woord she’ol.

HADES

ISA, NBG51 en NBV en NB geven de meest concordante vertaling voor hades 14]. Schriftwoord wijkt één maal af van ‘het ongeziene’ in Openb 6:8. De HSV blijft hinken op drie gedachten met twee maal graf, vier maal dodenrijk en vier maal hel. Schriftwoord vertaalt bovendien υπαρχων εν βασανοιs in Lukas 16:23 15] met ‘beproefd wordend’ en doet daarmee recht aan de basisbetekenis van het  Griekse woord βασανος = toetssteen voor het goud. De NBV en de WV95 komen ook in die richting met ‘(in de pijn) gekweld worden’. De kwelling heeft een doel, zoals tuchtiging in de Schrift altijd een corrigerend doel heeft (Lev 26) 16].

Gehenna
Het woord Gehenna 17] wordt in bijna alle bijbelvertalingen met hel vertaald.

GEHENNA 

Uitzonderingen zijn: ISA, Schriftwoord en NBV. Het woord heeft het karakter van een geografische plaatsaanduiding: een locatie nabij Jeruzalem met de historische naam: het dal van Ben Hinnom 18]. Orthodoxe vertalers gaan er van uit dat de naam van die locatie in het NT als metafoor dient voor de plaats van de eeuwige straf 19]. De werkelijkheid is dat het betreffende dal bij Jeruzalem in de profetie de plaats is waar een oordeel zal plaatsvinden, bij het aanbreken van het Messiaanse Rijk. Volgens Jes 66:24, waar het gaat over het verbranden van lijken. In die context staat de uitdrukking van de worm die niet sterft en het vuur dat niet uitdooft. Deze uitdrukking kan dus geen betrekking hebben op de hel want ze maakt binnen de context van Jes 66 deel uit van een aardse werkelijkheid. Als Jezus deze Schriftplaats citeert in Markus 9:48 kan de uitdrukking geen betrekking hebben op een eeuwig brandend hellevuur. 

Tartaros
In de Bijbel wordt één maal de Tartaros met die naam aangeduid, in 2 Petrus 2:4.

TARTAROS

Zowel de SV als de HSV vertalen het woord ταρταρωσας 20] in 2 Petrus 2:4 met ‘in de hel geworpen’. In de context van 2 Petrus 2:4 is sprake is van engelen die gezondigd hebben 21]. Het Griekse woord ταρταρος geldt in het Nieuwe Testament en in de Joodse Apocalyptiek als de plaats van bestraffing voor de engelen die hun oorsprong ontrouw zijn geworden. Juist de brieven van Petrus naast de brief van Judas zijn sterk beïnvloed door de Joodse Apocalyptiek. In de orthodox-gereformeerde theologie wordt, bij het hanteren van deze tekst, geen onderscheid gemaakt tussen mensen en engelen en de tekst wordt dan ook makkelijk toegepast als bewijstekst voor het bestaan van de hel. In de Schrift echter is sprake van een duidelijk onderscheid tussen het oordeel over mensen en het oordeel over engelen. Zo worden uiteindelijk de dood en het dodenrijk, de sheol/hades, geworpen in de poel van vuur en zwavel (Openb 20:14). Maar de Tartaros 20], de plaats van de engelen die hun oorsprong ontrouw waren (Judas 6; 2 Petrus 2:4 22]) wordt in dit verband niet genoemd. 

Exegese van de overige ‘hel-teksten’ in de bijbel
Jezus heeft diverse uitspraken gedaan die in de orthodoxe theologie worden geïnterpreteerd als uitspraken over de hel. Maar ook in het Oude Testament staat een passage die sterk doet denken aan de diverse uitspraken van Jezus:

  • Daniël 12:2 > Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading , tot eeuwig afgrijzen.
  • Markus 9:47-48 > En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat , dan dat gij met twee ogen in de gehenna geworpen wordt. Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust (vgl Markus 9:44, 46).
  • Matth 18:8 > Indien uw hand of uw voet  u tot zonde verleidt, houw hem af en werp hem weg . het is beter voor u verminkt en kreupel ten leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.
  • Matth 9:11-12 > Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen. Maar de kinderen van het Koninkrijk  zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars (vgl Matth 22:13; 25:30).
  • Matth 25:46 > En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.

Wat direct opvalt is dat al deze teksten in de context staan van het Messiaanse Rijk. ‘Het eeuwige leven’, ‘het Aeonische leven’ of ‘het leven van de (toekomende) Eeuw’ zijn uitdrukkingen die dezelfde betekenis hebben als de Joodse verwachting van het Messiaanse Rijk op aarde 23]. Daar ligt tevens de kern van de discussie. De orthodoxe theologie, ook de gereformeerde variant staat in de katholieke traditie, die in de lijn ligt van Augustinus’ opvattingen over het Rijk van God 24]. In die lijn wordt met het eeuwige leven een hemels leven aangeduid dat direct na het sterven aanvangt en gecontinueerd wordt na de opstanding 25]. Het Bijbelse begrip dat in vertalingen doorgaans wordt weergegeven met ‘het eeuwige leven’ wordt sinds Augustinus dus anders uitgelegd dan voorheen het geval was 26]. Parallel met de uitdrukking ‘het Aeonische leven’ staat in Matth 25:46 de notie van ‘de aeonische straf’. Augustinus leerde een eeuwige straf in de letterlijke zin zoals de traditionele vertaling ‘eeuwige straf’ van Matth 25:46 luidt. Een belangrijk argument was daarbij dat als de straf slechts een tijdelijk karakter zou dragen dat ook moet gelden voor het eeuwige leven 27]. Voor degenen die weten dat ‘het aeonische leven’ een andere uitdrukking is voor het Messiaanse Rijk op aarde vormt de constatering van het tijdelijke karakter van het Messiaanse rijk geen enkel probleem 28]. De regering van de Messias zal duren tot in de laatste aeon. En ook dankzij 1 Kor 15:24 weten we dat aan de regering van de Messias een einde zal komen 29]. Openb 14:11, 19:3 en 20:10, hebben in het kader van het oordeel in de vuurpoel de uitdrukking εις [τους] αιωνας [των] αιωνων letterlijk: tot in de eeuwen der eeuwen’, maar de NBG51 vertaalt traditioneel met ‘in alle eeuwigheden’ evenzo SV, HSV en NBV met ‘in (alle) eeuwigheid’. Wie niet weet dat ook de bijbel leert dat aan de aardse tijdsindeling van de aeonen (Rom 16:25; 2 Tim 1:9) een einde (1 Kor 1:10) komt wordt met dergelijke slordige vertalingen totaal op het verkeerde been gezet. Vooral sinds de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) die verwijzingen naar de aeonen of traditioneel vertaalt of weg parafraseert.

Samenvatting
Samenvattend wijken ISA, Schriftwoord en de NBV het verst af van de dogmatische vertaaltraditie, omdat Gehenna in die weergaven terecht niet meer met hel vertaald wordt. De NBG51 had voor Gehenna nog ‘hel’ terwijl in de NBV het woord onvertaald wordt weergegeven, evenals ISA en Schriftwoord, waar het woord bovendien éénmaal met aionische vuur werd weergegeven. Een uitdrukking die uitleg nodig heeft: het betreft het oordelende, louterende vuur 30] van de tweede dood, dat zal branden gedurende de laatste aeonen van de wereldgeschiedenis, voorafgaande aan de situatie waarin God alles zal zijn in allen (1 Kor 15:28) 31]. Het begrip afgrond 32] is wel geschikt om als vertaalwoord te dienen voor Tartaros (NBG51 en Naardense Bijbel). De WV95 heeft het woord afgrond éénmaal (in Job 7:9) als vertaalwoord voor she’ol terwijl die bijbelvertaling overigens  vrij consequent (40x) dodenrijk heeft. De sterkste neiging om de Tartaros te vereenzelvigen met She’ol / Hades en Gehenna zien we bij de SV en de HSV. 

“… neergedaald in de hel”
Zowel op goede vrijdag als op de zondag daaraan voorafgaand is tijdens kerkdiensten die ik meemaakte de hel benoemd in de preek. Daarmee is in mijn waarneming gedurende de lijdenstijd in dit kerkelijke jaar meer – en dat wil ook zeggen in meer geladen zin – over de hel gepreekt dan in voorafgaande jaren. De laatste zondag voor goede vrijdag ging de preek tijdens de morgendienst over 1 Petrus 3:18-20 33]. Op goede vrijdag was de preek naar aanleiding van Joh 19:28-30 34]. In beide preken werd de link gelegd met een passage in de Apostolische geloofsbelijdenis: ‘die gekruisigd is, gestorven, begraven, neergedaald in de hel…’. In beide diensten werd de afdaling in de hel niet geïnterpreteerd in de chronologische betekenis, die voortvloeit uit de volgorde in het Apostolicum. Beide predikanten, de één meer de ander minder, volgden de interpretatie van Calvijn 35]. De uitleg van Calvijn is eigenlijk een herinterpretatie. Calvijn wist niet zoveel raad met Rooms Katholieke zienswijzen en de uitleg in de vroege kerk was voor hem ook lastig 36]. Jezus zou, gedurende de drie uren duisternis over het gehele land, de uren van het van God verlaten zijn, in de hel zijn geweest. De hel is in deze interpretatie geen locatie maar een toestand. Dit sluit dus niet aan bij de chronologie en de oorspronkelijke bedoeling van de passage binnen het Apostolicum. In de preek van prof. van den Brink was dit laatste niet echt duidelijk. Dat kwam omdat volgens Van den Brink de zienswijze van Calvijn 37] en die van 1 Petrus 3:18vv elkaar niet uitsluiten. Ook werd benoemd dat er in de kerk verschillen van inzicht bestaan als het gaat over de betekenis van 1 Petrus 3:18-20 38. Dat laatste is mijns inziens een meer eerlijke benadering omdat hieruit volgt dat er wel degelijk sprake is van elkaar uitsluitende opvattingen. In de Calvinistische interpretatie maakt de neerdaling in de hel deel uit van het lijden terwijl het in de klassieke betekenis een zegetocht is. Deze interpretaties zijn op geen enkele manier met elkaar in harmonie te brengen 39]

De hel in de preek
Binnen rechtzinnige kerken en groepen 40] is sinds enkele jaren sprake van een trend waarbij de hel meer dan in het verleden als een bestaande realiteit wordt benadrukt 41].Daarbij is de verwijzing naar Jezus een populair argument geworden. Het heet dan: “juist Jezus sprak er het meest over” 42]De conclusie is dan dat de hel echt bestaat, dat er geen einde aan zal komen en dat ook wij, in navolging van Jezus, vaker deze donkere kant van het eindoordeel van God over de mensen zouden moeten benadrukken. Dat laatste is dan nodig uit bezorgdheid. Christenen zouden vanuit de wetenschap dat er een nooit eindigende hel bestaat niet-gelovigen moeten waarschuwen 43]. Als het om de uitspraken van Jezus gaat worden niet alleen de gehenna-uitspraken bedoeld maar ook passages waar de hades, het dodenrijk genoemd wordt. Of omschrijvingen die worden geïnterpreteerd als een spreken over de hel 44].  

drogreden
Het argument ‘Jezus sprak er het meest over’ roept vragen op. Er komt de suggestie in mee dat  uitspraken van Jezus, zoals die door enkele evangelisten zijn overgeleverd, meer autoriteit hebben in verhouding tot wat geschreven staat in andere delen van de bijbel, alleen omdat het uitspraken van Jezus zijn 45]. Jezus’ eigen woorden worden op die manier geïsoleerd van of uitgespeeld tegen Mozes en de profeten. Dit is in strijd met Jezus’ eigen pretentie (Lucas 16:29, 31; 24:27; 24:44) en het getuigenis van de Apostelen (Joh 1:46, Hand 26:22; 28:23). Daar komt bij dat Mozes en de profeten nooit hebben geschreven over een hel. Waarom zou Jezus dat dan wel hebben gedaan? Wel is in de Tenach veelvuldig sprake van de sheol (NT: hades), het dodenrijk. De sheol werd in die tijd echter allerminst gedacht in hel-achtige termen 46]. Die idee is pas veel later ontstaan. Ook Paulus en andere apostelen van wie geschriften in de bijbel zijn opgenomen houden zich ver van een theologie van de hel 47].

theologische escapes
Ds T. Schutte noemde in de boven genoemde preek tijdens de avonddienst op goede vrijdag in Breukelen de hel: “de enige plaats in de kosmos waar God niet is”. Binnen een monotheïstisch godsbeeld vormt een dergelijke uitspraak een groot probleem 48]. De idee echter leeft breed in modern orthodox gereformeerde kring 49]. Volgens prof. dr. J. Hoek is de hel “een niet door God geschapen werkelijkheid: de hel is er gekomen doordat de zonde er gekomen is” 50]. Hoek laat zodoende het bestaan en ontstaan van een hel afhangen van de keuze van de mens 51]. De zonde is dan iets waar God niet vooraf mee kan hebben gerekend. Het Evangelie devalueert zodoende tot een soort ‘plan-B’ om te redden wat er te redden valt, waarbij we ons kunnen afvragen of dat plan wel gaat lukken. Hoeveel plannen van God komen er nog als de mensen en de duivel zonder dat God er rekening mee kan houden dwars gaan liggen? God kan dus met succes gedwarsboomd worden door de vrije wil die mens en duivel krijgen toebedeeld in de modern gereformeerde orthodoxie en dat werkt niet echt mee als het gaat om vertrouwen te wekken in het welslagen van Gods plannen. Het klinkt alsof God er niets aan kan doen dat de wereld gaat zoals ze gaat en God kan er eigenlijk ook niets aan doen dat er zoiets als een hel bestaat 52]. God is niet meer de Almachtige die Hij nog niet zo lang geleden wel was in de orthodox gereformeerde theologie. Ook wordt de reikwijdte van goddelijke aanwezigheid in de Schepping beperkt door een deel van de Schepping van God los te denken. Dat stemt niet overeen met bijbelse uitspraken over bijvoorbeeld de she’ol zoals in Psalm 139:8 53].  Eigenlijk is de idee van een ‘gekozen hel’ aanleiding tot een soort hel-light variant. De hel lijkt op die manier minder aanstootgevend. Het vermoeden ontstaat zelfs dat het er wel uit te houden zal zijn omdat een leven zonder God op aarde nu eenmaal ook geen problemen oplevert. Maar daarmee gaat het verder: wie hier op aarde handig is met intriges en misleiding kan dat spelletje na het leven en geheel naar eigen inzicht voortzetten ten koste van hen die op aarde al mikpunt en slachtoffer waren. Met zijn onderscheiding van twee soorten mensen vergeet C.S. Lewis de slachtoffers in deze wereld.  Volgens gangbare orthodox-christelijke maatstaven behoort het overgrote deel van de holocaustslachtoffers eveneens tot de verdoemden. Zij geloofden immers niet in Jezus? In elk geval niet op de christelijke manier 54]! De consequentie van de hel-light variant is dat de meest gruwelijke misdadigers in het hiernamaals ongecontroleerd aan de top van de gevangenis-hiërarchie zullen staan. De hel-light variant is een vorm van theologisch cynisme omdat ze ten diepste gebaseerd is op onverschilligheid: een omkering van de bede in het Onze Vader; “uw wil geschiede!”. De klassieke hel was tenminste nog de ultieme strafplaats voor alle slechteriken zonder onderscheid en de grote schurken konden zwaarder straf tegemoetzien. Als er al een hel nodig is om tegemoet te komen aan de behoefte aan vergelding dan spreekt de klassieke hel meer tot de verbeelding dan hel-light. Ware het niet dat beide varianten gruwelijke karikaturen zijn van Gods rechtvaardigheid.   

de hel in de christelijke traditie
In de geloofsbelijdenis van Athanasius (295-373), aartsbisschop van Alexandrië, wordt het geloof in het bestaan van een hel als volgt benoemd:

‘En die het goede gedaan hebben, zullen in het eeuwige leven ingaan, maar die het kwade gedaan hebben in het eeuwige vuur. Dit is het katholieke geloof. Wie dit niet getrouw en vast gelooft, kan niet behouden worden 55].’

Het bestaan van de hel ligt dus vast in een klassieke belijdenis van de vroege kerk, al is dit onderdeel van de belijdenis pas in de vierde eeuw tot stand gekomen onder invloed dat het christendom staatsgodsdienst was geworden 56]. En pas in 589 werd de eeuwigheid van de hel expliciet als dogma vastgesteld 57]. Volgens Cyrillus van Jeruzalem (315-386) zullen zondaren een eeuwig lichaam ontvangen, geschikt om de pijnen van de zonde te verdragen, zodat het de mogelijkheid heeft eeuwig te branden in vuur zonder verteerd te worden 58]. Augustinus was dezelfde opvatting toegedaan en beriep zich daarbij zelfs op het bestaan van wormen die grote hitte kunnen verdragen in heetwaterbronnen 59. Overigens speelt de leer van de eeuwige straf in Augustinus’ werk een ondergeschikte rol. Zijn preken zijn vooral pastoraal van toon. Het lijkt er op dat hij deze leer speciaal heeft aangewend om de decadentie in het Romeinse Rijk te keren 60]. Sinds Augustinus heeft de kerk van het Westen de leer van de eeuwige straf geleerd alsof die leer overeenkomt met het oorspronkelijke inzicht van de kerk. Ook Augustinus zou er zo over gedacht hebben maar toen hij zelf deze leer verdedigde tegenover de “medelijdenden” 61] was hij er van doordrongen dat de meerderheid van de christenen de tegenovergestelde opvatting was toegedaan. In de Vroege Kerk was er sprake van een neiging tot alverzoening en in Augustinus dagen was die voorkeur er nog bij de meerderheid van de christenen. In Enchiridion namelijk verdedigt Augustinus de stelling dat ‘de dwaling zeer verbreid is’ 62]. Ook de tijdgenoot van Augustinus, Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel (ca 350-407)  heeft geschreven over de leer die Augustinus bestrijdt. Hij weet dat zijn leer hard is maar “het is nodig dit te zeggen, opdat wij niet in de hel komen” 63]

Conclusie
Deze leer van de hel maakt deel uit van de traditie waar de grote denominaties en kerkelijke stromingen in ons kerkelijk leven op zijn gebaseerd.  De meeste evangelisch / charismatische tradities maken daar ook deel van uit. Chronische geloofsonzekerheid heeft altijd te maken met de hel en met een karikatuur van de bijbelse notie van de uitverkiezing. Mijn ervaring is dat het vaak wordt ontkend en dat een drijfveer om te geloven, gerelateerd aan angst voor de hel meestal niet eerder erkend wordt dan tijdens de spijtfase.  De vervormingen van het Evangelie bepalen het godsbeeld. Het geloofsleven lijdt er zwaar onder en het stimuleert desinteresse als het gaat om bestuderen van de Schrift en missionair gemeenteleven onder die invloed is een fopspeen.

Maar er is hoop. Van de Beek analyseert dat het Corpus Christianum (de christelijke maatschappij) afbrokkelt 64]. Met die afbraak van de christelijke traditie komt het christendom van voor Augustinus terug. Dat christendom wordt gekenmerkt door een tendens naar alverzoening en dat zien we nu in toenemende mate gebeuren. 

————–

1. Het woord hel is ontleend aan de Germaanse mythologie. Hel was de heerseres van het gelijknamige dodenrijk dat een onverkwikkelijk schimmenrijk was, maar niet een plaats waar men voor zijn zonden werd gestraft. Die betekenis kreeg het pas in het christendom. Een klassieke beschrijving van de onderwereld vinden we in het eerste deel van de Divina commedia (inferno) van Dante. (Christelijke Encyclopedie, 2005, Kampen, dl II,  p771, auteur artikel: Vefie Poels).

2. Rechtzinnige theologen maken zich te makkelijk af van kritiek op de theologie van de hel zoals die functioneert in de orthodox gereformeerde schriftuitleg. Kritiek wordt vooral gezien als een aanval op het Schriftgezag. Deze blog heeft mede als doel aan te tonen dat deze beeldvorming niet strookt met de werkelijkheid en dat er bovendien bij het hanteren van Schrift en traditie veel willekeurig bijbelgebruik aanwezig is in het kader van modern orthodox gereformeerde opvattingen over het hiernamaals. De Schriftgegevens worden veelal gebruikt zonder rekening te houden met context en chronologie. Zo wordt de eindtijdelijke poel van vuur en zwavel (Openb 20:10, 14, 21:8) wel gezien als synoniem van Gehenna. In de hierna genoemde preek van ds. T. Schutte, Ede op goede vrijdag in Breukelen (zie noot 34) werd Jezus’ nederdaling in de hel geassocieerd met de tweede dood (Openb 2:11, 20:6, 14, 21:8). Een uitdrukking die onlosmakelijk verbonden is met de poel van vuur en zwavel welke nergens elders in de Schrift voorkomt, los van de chronologie in de Apocalyps.

3. Het maakt een groot verschil. Veel gelovigen lezen de bijbel alsof het een boek betreft dat recent als een oorspronkelijke Nederlandse uitgave is verschenen. Daar komt bij dat niet iedereen die op zondagmorgen naar de preek luistert ervan gediend is als de dominee de gelezen bijbelvertaling bekritiseert op onderdelen. Men ervaart dat als lastig, verwarrend en soms zelfs als eigenwijs: “de dominee denkt het beter te weten dan de bijbel”. In plaats van de noodzaak van vertaalkritiek uit te leggen hebben teveel predikanten zich bij de desinteresse van zogenoemde ‘eenvoudige gelovigen’ neergelegd en zodoende is een deel principieel ongeïnteresseerde kerkleden niet zelden de norm geworden op wie de preek wordt afgestemd. Dit is mede de oorzaak dat er in toenemende mate simplistisch en kinderachtig wordt gepreekt. Deze crisis van de preek doet zich vooral voor binnen de breedte van het modern orthodox gereformeerde deel van het Protestantisme. 

4. De leer van de onsterfelijke ziel wordt vooral gekoppeld aan uitspraken in het Nieuwe Testament. Bijvoorbeeld Matth 10:28. De tekst zelf spreekt die uitleg tegen omdat er wel degelijk sprake is van verderven van ziel en lichaam in Gehenna. De tekst kan alleen uitgelegd worden binnen de context van Jes 66:24 waar het over hetzelfde gaat als waar Jezus van sprak en waar geen sprake is van een hel maar van lijkverbranding.

5. Het is merkwaardig dat in de gelijkenis van de rijke man en Lazarus de familie van de rijke man volgens Abraham voldoende hebben aan Mozes en de profeten als bron van informatie over het hiernamaals. Dit naar aanleiding van het verzoek van de rijke man om zijn familie te waarschuwen. In Mozes en de profeten is geen sprake van informatie over een plaats van pijniging voor de goddelozen na hun dood. De gedachte als zodanig is zelfs tegenstrijdig met die in de Tenach. Wel spreken Mozes en de profeten over het doen van barmhartigheid. 

6. De Statenvertalers brengen geforceerd de scheiding van wegen aan in een kanttekening bij de geschiedenis van Saul in Endor, in 1 Sam 28:19. “Morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn”. De kanttekening die de SV hier geeft: “Te weten, bij de doden; dat is, gij zult dood zijn. Zie dergelijke manier van spreken 2 Sam. 12:23. Want dat men dit zou verstaan van in de hel te zijn, waar de duivelen zijn, zou op Jonathan en velen van de Israëlieten niet passen, die wel in den slag zijn dood gebleven, maar niet naar de ziel in de verdoemenis gevaren.”. Hier past dus de traditionele vertaling niet en dat zien de Statenvertalers als een geldig excuus om bij wijze van uitzondering de echte betekenis van het begrip dodenrijk te omschrijven.

7. Met zijn gelijkenissen openbaarde Jezus de geheimen van het Koninkrijk der hemelen (Matth 13:11). Jezus sprak in gelijkenissen omdat zijn onderwijs niet voor iedereen bestemd was. Wat de één moest weten moest voor de ander verborgen blijven (Matth 13:12-17).
De populaire visie op het doel van de gelijkenissen is dat Jezus dit genre hanteerde teneinde iets duidelijk te maken, zonder aanzien des persoons. Deze visie is tegenstrijdig met Jezus’ antwoord aan de discipelen op de vraag waarom hij sprak in gelijkenissen.  

8. Er zijn verklaringen die wel een integrale betekenis hechten aan de genoemde details binnen de structuur van het verhaal:

9. Het slot van de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester (Lukas 16:9) en de herkenbare identiteit van de rijke man op grond van zijn kleding (purper en fijn linnen) als priesterkleding. De gelijkenis van de rijke man was gericht tegen de geestelijke leiders van het volk.

10. Bijvoorbeeld bij Gen 37:35 “want ik zal rouwbedrijvende bij mijn zoon in het graf nederdalen” waar de SV als kanttekening bij vermeldt: “Het Hebr. woord betekent somtijds het graf gelijk hier en onder, Gen. 42:38, en Gen. 44:29,31; Ps. 6:6, en Ps. 16:10; Pred. 9:10; Jes. 38:18; idem allerlei grote diepten, of diepe, verborgen plaatsen; Job 26:6; Ps. 139:8; Amos 9:2; somtijds de hel, of plaats der verdoemden, gelijk Job 11:8; Spreuk. 15:11. Aldus kan het hier niet genomen worden; want Jakob geloofde het tegendeel van zijn zoon. Somtijds betekent het ook overgrote en uiterste benauwdheden, en het gevoel van Gods toorn, gelijk 1 Sam. 2:6; Ps. 18:6, en Ps. 86:13.”

11. Sje’ol is afgeleid van de stam sja’a, woest worden, verblind worden. Jezus hanteert dit beeld in Matth 11:23 / Lukas 10:15 met het oog op Kafarnaum.

12. De uitdrukking ‘dodenrijk’ impliceert niet dat de vertalingen, die dit woord hebben voor She’ol en Hades, tot stand zijn gekomen door de gedachte aan een onbewust ‘bestaan’. De Christelijke Encyclopaedie, (1925, Kampen, p630-1) leest in het Nieuwe Testament een voortgaande openbaring en zelfs denkt de auteur van het artikel (dr A. Noordtzij) bij Schriftplaatsen als Jes 14:9 en Ezech 32:27, waar toch onmiskenbaar sprake is van satire, aan een min of meer letterlijke betekenis. Het woord dodenrijk kan vanuit diverse religieuze achtergronden worden ingevuld.

13. Volgens F.W. Grosheide duidt het Nederlandse woord hel op de plaats van de verdoemden terwijl op de plaatsen waar de SV hel heeft soms het rijk van de doden bedoeld wordt. Grosheide trekt de conclusie dat de voorstelling in het NT een ietwat andere is dan de onze (Bijbelse encyclopaedie, 1950, Kampen, p205). Grosheide doelt met onze voorstelling op de orthodox gereformeerde voorstelling en het woord ietwat typeert de ambivalente houding onder orthodox gereformeerden bij het vertalen van Bijbelse grondwoorden die een dogmatisch standpunt raken.

14. (Matth 11:23; 16:18; Lukas 10:15; 16:23). De NBG 51 vertaling heeft hier altijd meer correct: ‘dodenrijk’, ook in Lukas 16:23. (Teksten volgens Alfred Schmoller, Handkonkordanz zum griechischen Neuen Testament, 1973, Stuttgart).

15. Zie noten 8 en 19.

16.  βασανος kan ook pijniging of marteling betekenen. Dat gebeurt dan in de context van een gerechtelijk onderzoek teneinde een bekentenis af te dwingen. Een dergelijke gruwelijke realiteit wijkt dan nog steeds af van de orthodox christelijke opvatting over de hel waarbij de pijnigingen nog slechts een doel in zichzelf dienen in de sfeer van een eindeloze wraak. Elk mens bezwijkt uiteindelijk onder een langdurige marteling. Wat niet gezegd kan worden van de intenties achter de hel volgens orthodox christelijk concept.

17. Het woord Gehenna komt voor in Matth 5:22, 29; 20:28; 18:9; 23:15, 33; Markus 9:43, 45, 47; Lucas 12:5; Jak 3:6. (Teksten volgens Alfred Schmoller, Handkonkordanz zum Griechischen Neuen Testament, 1973, Stuttgart).

18. Het dal van Ben Hinnom wordt door de profeet Jeremia ‘moorddal’ genoemd (Jer 7:32; 19:6). Het is de plaats waar de koningen Achaz en Manasse van Juda kinderoffers aan Moloch organiseerden (2 Kon 16:3; 21:6; 2 Kon 23:10; 2 Kron 28:3; 33:6). Volgens Jer 7:31-32 zal het dal een begraafplaats worden wegens gebrek aan plaats. In de context van Jer 7:29-34 is sprake van een Godsoordeel (vgl: Jes 66). JHWH distancieert zich fel van het verbranden van zonen en dochters in het vuur van Moloch: iets dergelijks is in het hart van JHWH niet opgekomen (Jer 7:31)! Deze profetie is er een van mededogen met de slachtoffers en staat in contrast met een wraakoefening van God als doel in zichzelf, doelgericht zonder willekeur en van eindeloosheid is geen sprake.

19. De naam Gehenna verwijst naar een vuuroordeel.  Dat geldt echter voor het hele gebied van de Jordaan en de aangrenzende zeeën (Meer van Galilea en Dode zee). Ook het dal van Ben Hinnom grenst via het Kedron-dal (Wadi-Nar = Vuurdal) aan de Dode Zee (vgl Openb 22;1-4 / Ezech 47:1-12). Bovendien vormt het hele Jordaandal samen met de Dode Zee via de Wadi Araba en de Golf van Akaba en de Rode Zee tot diep in Afrika de Grote Afrikaanse Slenk of de Grote Riftvalei. Jezus sprak in de gelijkenis van Lazarus en de Rijke man over een Grote Kloof! Dr. Ernest L. Martin schreef in 1981 een studie over de geologische samenhang van dit gebied in het licht van de bijbelse gegevens over Gehenna en de poel van vuur en zwavel.

20. In 2 Petrus 2:4 wordt het woord tartaros gebruikt in een werkwoordvorm:  ‘tartarosas’ = ‘in de afgrond geworpen’. Het Griekse woord tartaros geldt in het Nieuwe Testament en in de Joodse Apocalyptiek als de plaats van bestraffing voor de engelen die hun oorsprong ontrouw zijn geworden. vgl: 1 Henoch 20:2; Apoc.Ezra (Gr) 3:15; Pseudo Philo 60:3; Sib.Or I, 10, 119, 303; Test.Sal 6:3; Test.Abr 13:11). Volgens de oudste Griekse voorstellingen is de tartaros een duistere afgrond onder de hades, de plaats voor de oproerige Titanen. – vgl J.M.S. Baljon, Grieksch Theologisch woordenboek, hoofdzakelijk van de Oud-Christelijke letterkunde, Tweede deel, 1899, Utrecht, p880-1.

21. De genoemde passages in 1 en 2 Petrus sluiten naadloos aan met de Joodse apocalyptiek, met name de Henoch literatuur. De invloed van dergelijke literatuur in de Petrus brieven en de brief van Judas is een erkend gegeven, hoewel nog onbekend in de tijd van ontstaan van de Statenvertaling. Ook P.H.R. van Houwelingen verwijst bij 2 Petrus 2:4 naar de Henoch-traditie en hij benoemt de parallel met 1 Petrus 3:19-20. De parallel met deze laatste tekst heeft bij Van Houwelingen geleid tot heroverweging van de bedenkingen die hij op dit punt nog had in zijn dissertatie (P.H.R. van Houwelingen, 2 Petrus, Judas. Testament in tweevoud, 2002, Kampen, p60; De tweede trompet. De authenticiteit van de tweede brief van Petrus, dissertatie, 1988, Kampen, p167-8).

22. Hoek noemt beide passages in het kader van de beperkte speelruimte van de demonen onder Gods toelating. Als zodanig interpreteert hij beide teksten niet in de sfeer van de Joodse apocalyptiek waarin ze wel staan. Hoek ziet deze teksten in verband staan met de duizendjarige binding, zoals die sinds Augustinus wordt geïnterpreteerd. (Hoop op God, 2004, Zoetermeer, p195). Hoeks eschatologie is sterk verbonden met de traditie van het corpus christianum.

23. Volgens F. de Graaff heeft het bijbelse begrip “eeuwige leven” een verandering van betekenis ondergaan. Onder invloed van het Platonisme en de mysterie-godsdiensten kwam er belangstelling voor de idee van de onsterfelijkheid van de ziel. Dat overchaduwde de bijbelse verwachting van de wederopstanding van het vlees. Het verlangen naar een vernieuwde aarde werd hoe langer hoe meer als een zinnelijke Joodse wens beschouwd, mede door toedoen van de gnostiek die verachting van de aarde leerde. (F. de Graaff, Als goden sterven, 1970, Rotterdam, p108). 

24. Volgens Augustinus is in de Kerk het Rijk Gods op aarde gekomen. De heerschappij van de Kerk op aarde is ‘het duizendjarig Rijk’ uit de Apocalyps. Wie zich bij dit Rijk voegt is gered. (Augustinus, De Civitate Deï, XX, 7; F. de Graaff, Als goden sterven, 1970, Rotterdam, p117-8) 

25. De leer van de tussentoestand houdt in dat in de tijd tussen sterven en opstanding de in Christus ontslapen mens zaligheid geniet terwijl de niet in Christus ontslapen mens rampzaligheid ondervindt. Echter, beide toestanden zijn voorlopig, in afwachting van volledige zaligheid of rampzaligheid na de opstanding (B. Telder, Sterven… waarom? 1963, Kampen, p75). A. van de Beek ziet een ontwikkeling in de Katholieke toekomstverwachting. Zo veronderstelt de leer van het vagevuur een voorlopige bestemming. De voorlopigheid wordt door Van de Beek ‘verdubbeling van het Eschaton‘, verdubbeling van de toekomstverwachting, genoemd. Zo noemt hij de leer van het duizendjarig Rijk eveneens een verdubbeling van de toekomstverwachting omdat de situatie van het millennium een voorlopige verwachting is. De leer van het vagevuur wordt in de Middeleeuwen steeds meer uitgebreid. Hetzelfde gebeurt met de beeldvorming over de hel en de hemel. Deze ontwikkeling culmineert in het driedelige werk van Dante over het paradijs, het purgatorium en de hel. Op dat moment is er geen sprake meer van de ‘vroeg-kerkelijke tendens naar alverzoening’ met een louteringsvuur als tussenfase. Die heeft plaatsgemaakt voor een spreken over de hel zonder enige terughoudendheid. De leer van een duizendjarig Rijk wordt uiteindelijk ervaren als een hindernis omdat ook de gelukzaligheid van de hemel optimaal wordt beschreven. (Dr. A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p102). Een opstanding uit de doden was voor de gelovige in de  Middeleeuwen niet voorstelbaar omdat het niet kenbaar was in de simpele ervaring van de aardse werkelijkheid (p86). De voorstelbaarheid van de verwachting kreeg voorrang boven concrete, materiële invulling van de toekomstverwachting. Het laatste geldt in de theologie als naïef ook al beseft men dat het wel aansluit bij de realiteit van het geloof (p87). 

26. Ook deze voorkeur in de theologie heeft te maken met voorstelbaarheid. De bijbelse toekomstverwachting wordt gereduceerd. De aarde heeft  volgens deze theologische voorstelling geen toekomst. Wel wordt vaker dan voorheen gesproken van een ‘nieuwe aarde’  maar van een continuïteit met deze oude aarde lijkt geen sprake. ‘nieuwe aarde’ functioneert als een synoniem voor ‘hemel’. 

27. Dit argument is herkenbaar omdat het hardnekkig wordt herhaald in debatten tussen vertegenwoordigers van de klassieke kerkleer aan de ene kant en verdedigers van de apokatastasis pantoon, de wederoprichting van alle dingen, aan de andere kant. De voorlopigheid van het duizendjarig Rijk is voor theologen moeilijk voorstelbaar (zie noot 25).

28. Het is merkwaardig dat W.J. Ouweneel, eveneens een belijder van een voorlopig Messiaans Rijk, dit Augustiniaanse argument hanteert (W.J. Ouweneel, Dogmatische reeks, Dl X. De toekomst van God. Ontwerp van een eschatologie, 2012, Heerenveen, p579). Inderdaad is in Matth 25:46 ‘de eeuwige straf’ net zo min eeuwig als ‘het eeuwige leven’.

29. W.J. Ouweneel bevestigt dat aan de aardse heerschappij van Christus een einde komt, op grond van 1 Kor 15:24-28. Niettemin spreekt Ouweneel van een eeuwige regering door Christus als ‘God de Zoon’. (W.J. Ouweneel, Dogmatische reeks, Dl X. De toekomst van God. Ontwerp van een eschatologie, 2012, Heerenveen, p567, 366).

30. “Het kwaad moet tenslotte met vuur uitgebrand worden” (Origenes, De Principiis, II, 10.6; I, 1,2; Ignatius, Brief aan de Efeziers 16)

31. Openb 21-22 geeft geen beschrijving van die situatie.In 22:2 is sprake van een proces van wederoprichting (genezing). 

32. Zie noot 20

33. Kerkomroep:  24 maart 2013, morgendienst. Predikant: Prof. dr. G. van den Brink, Woerden. Na verloop van tijd verdwijnt de preek uit de lijst. Kan dan op aanvraag door mij worden toegezonden via email.

34. Kerkomroep: 29 maart 2013, goede vrijdag. Predikant: ds. T. Schutte, legerpredikant in Ede. Na verloop van tijd verdwijnt de preek uit de lijst. Kan dan op aanvraag door mij worden toegezonden via email.

35. Volgens M.J. Arntzen heeft ook Thomas van Aquino nooit de gedachte losgelaten dat Christus niet alleen de tijdelijke maar ook de eeuwige dood heeft gedragen. Ook bij Luther zijn ‘Calvinistische’ trekken te vinden als het gaat om Christus’ neerdalen in de hel. “De volgelingen van Calvijn hebben bij de uitleg van deze passage  er meer de nadruk op gelegd dat Jezus echt in de staat des doods is geweest: bij en met de doden, in het rijk der doden”. (Christus’ nederdaling ter helle, 2000, Amsterdam, p.18). 

36. Volgens H. Berkhof heeft Calvijn de belijdenis van de nederdaling in de hel ontmythologiseerd door het op Jezus’ godverlatenheid aan het kruis te betrekken – Inst II 16, 8-12. (Christelijk geloof, 1973, Nijkerk, p323  – 3e druk). Volgens M.J. Arntzen heeft Calvijn er niet de nadruk op willen leggen dat Jezus werkelijk in de staat des doods heeft verkeerd en de smaad van de dood heeft gedragen. Daarbij komt dat Calvijn niets wilde weten van een plaatselijke afdaling van Jezus in het dodenrijk om de vromen van de oude bedeling te bevrijden (Christus’ nederdaling ter helle, 2000, Amsterdam, p17). 

37. Van den Brink noemde hier de Heidelbergse Catechismus die aansluit bij de opvatting van Calvijn: “Jezus is in de hel geweest opdat wij er niet hoeven komen”.

38. P.H.R. van Houwelingen betrekt 1 Petrus 3:18-20 op de hemelvaart  van Christus. ‘Het heengaan van Christus (πορευτεις) valt samen in de tijd met de onderwerping van vijandelijke machten (υποθαγεντων), en bereikt zijn hoogtepunt wanneer Christus plaatsneemt aan Gods rechterhand. Toen Hij de ereplaats had ingenomen lagen de vijanden aan zijn voeten … (Psalm 110:1; Matth 22:44; Hand 2:34-35).’ (1 Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, 2005, Kampen, p144). Joh 14:2 geeft een vergelijkbaar heilsperspectief in de verklaring van F. de Graaff. “In het huis van Mijn Vader zijn vele verblijven, maar indien niet, zou ik u gezegd hebben: Ik breek door om plaats voor u te bereiden” (vert. F.d.G.). ‘Ik breek door’ is de vertaling van πορευωμαι, het zelfde woord dat in 1 Petrus 3:19 vertaald wordt met ‘heengaan’. De Graaff ziet in deze woorden een doorbreken naar alle gebieden van de wereld en de schepping. ‘Die tocht is een nederdalen vanuit de hemelen op de aarde. Wat Jezus nu gaat doen is slechts een voortzetting van de vleeswording, de incarnatie, Hij is gekomen op de aarde, maar Hij gaat ook de diepste delen der wereld bezoeken. Het feit, dat de Thorah vlees is geworden brengt het aardse vlees weer in het ritme van de wijsheid Gods. Nu daalt de Thorah in de duistere gebieden van de hades en van de dood. Hier baant Hij de weg, trekt Hij het spoor van leven. Dan stijgt Hij op om alle hemelen door te gaan. Zo verbindt Hij het dodenrijk en de aarde met de hemel. Als dit geschiedt keert Hij terug als overwinnaar in het dodenrijk en daarna op de Paasmorgen op aarde’ (F. de Graaff, Jezus de Verborgene 1, 1987, Kampen, p421).

39. Calvijn identificeert de geesten in de gevangenis met de gestorven vromen in het algemeen en verbindt 1 Petrus 3:19 met 1 Petrus 4:6 en negeert daarbij de tijdsaanduiding in de context: ‘in de dagen van Noach’ ( vs 20). (Calvijn, Calvijnarchief 1.o, Commentaar 1 Petrus, p71-4) De uitleg van Calvijn kan niet een serieuze poging tot uitleg van deze passage worden genoemd.

40. Met name de kerken en stromingen die zich rekenen tot de gereformeerde orthodoxie (GB/CV in de PKN; CGK; GKV en NGK). Ook in de diverse evangelische groepen is sprake van meer aandacht voor de hel. Bij de bevindelijk gereformeerden is door de tijd heen de hel niet weggeweest uit de preek.

41. Volgens Van de Beek hangt dit samen met het verval van het corpus christianum, het christendom als staatsgodsdienst. “De staatsgodsdienst maakte het preken over de hel noodzakelijk omdat veel mensen waren toegetreden tot het christendom omdat men anders niet meer meetelde. Bij het verval van de staatsgodsdienst spreekt het vanzelf dat preken over de hel minder vanzelfsprekend wordt”. (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p103-4).
Er lijkt nu sprake van een reactie die een gevolg is van de ontkenning van het bestaan van een hel door een steeds grotere groep gelovigen, niet alleen de meer vrijzinnige maar ook een groeiende groep binnen de rechtzinnige stromingen van het christendom. “De hel ligt meer dan ooit onder vuur” schrijft J. Hoek in een pleidooi voor de leer van de twee wegen. (Hoop op God. Eschatologische verwachting, 2004, Zoetermeer, p240). Het verschijnsel wordt gezien als een bedreiging van het gezag van de ware leer. Historisch gezien is het nog maar de vraag of de hel meer dan ooit onder vuur ligt. In de tijd van Augustinus geloofden veel christenen een of andere vorm van alverzoening (zie noot 61). Dat deze tijd terug komt stemt overeen met de eerder genoemde analyse van Van de Beek inzake het verval van het corpus christianum. 

42. Dit argument wordt opgevoerd door Ajith Fernando in Belangrijke vragen over de hel (1998, Apeldoorn, p.127-142).  Ook J. Hoek doet een beroep op de autoriteit van Jezus in zijn boek Voorbij de dood (1996, Zoetermeer, p66-7) als hij K. Schilder citeert: ‘Wie de hemel van Gods liefde van Jezus aanneemt, die gelove ook op zijn gezag de hel en Gods toorn’ (K. Schilder, Wat is de hel?). Francis Chan roept op om het eigen beeld over de hel te corrigeren aan de hand van wat Jezus er over gezegd heeft (Bestaat de hel? 2011, Heerenveen, p.42-3). Het is vooral een populair argument onder behoudende kerkgangers, die voorstander zijn van meer hel in de prediking. Een dergelijke opvatting vindt een voedingsbodem in een niet contextuele lezing van de betreffende uitspraken van Jezus.

43. Men gaat er dan aan voorbij dat nergens in het Nieuwe Testament de hel een motief vormt tot missionaire activiteiten. Ook lezen we nergens bij Paulus over bezorgde vragen van gelovigen die willen weten hoe dat nu zit met in ongeloof gestorven familieleden. De enige mogelijke conclusie is dat het probleem zoals wij dat kennen, in die tijd niet bestond. Tot een dergelijke conclusie kwam ook de zeventiende eeuwse predikant Dirk Rafaëlszn Camphuysen (1586-1627) in een brief die hij schreef in 1620. Camphuysen weigerde de Dordtse Leerregels te ondertekenen en wees de leer van de leer van de eeuwige straf af. Als hij geschreven  heeft over de twijfel en vrees waarmee vrome mensen gekweld worden voegt hij er aan toe: ‘is het niet merkwaardig, dat men in de Bijbel niets vindt van dergelijke angsten?’ (Jan Bonda, Het ene doel van God, een antwoord op de leer van de eeuwige straf, 1993, Baarn, p39-40). In de nasleep van de Dordtse Synode vreesde Camphuysen geloofs-, gewetensdwang, die ontstaat waar de ene mens zich een oordeel aanmatigt over de correctheid van de geloofsbeleving van een ander. „Wat heb je daaraan? Wie doe je er een plezier mee? Wat is ermee gewonnen?,” zo schreef hij in zijn ‘Waerschouwinghe’ van 1620. Camphuysen waarschuwde tegen het formuleren van een gemeenschappelijke belijdenis, omdat hij vreesde dat daarvan een normerende, voorschrijvende werking zou uitgaan, en dat was wel het laatste dat hij, die zich als martelaar voor de godsdienstvrijheid beschouwde, zou wensen. (Dr Johannes Tromp op 12 maart 2005 tijdens de Algemene Vergadering van Beraad van de Remonstrantse Broederschap in Reden en rechtvaardiging van gemeenschappelijk belijden, naar aanleiding van Wij geloven – wat geloven wij?)

44. J. Hoek noemt in dit verband ‘de worm die niet sterft en het vuur dat niet uitgeblust wordt.’ (Voorbij de dood, 1996, Zoetermeer, p67). Maar in werkelijkheid citeert Jezus Jesaja 66:24 in Markus 9:44, 46, 48, waar getuige de context geen sprake is van een hel-achtige omgeving, maar van verbranding van lijken in het dal van Ben Hinnom bij Jeruzalem. Een andere uitspraak van Jezus staat in Matth 8:12, 22:13 en 25:30 over het geween en tandengeknars in de buitenste duisternis.

45. Jezus heeft geen eigen geschriften nagelaten. De evangelisten hebben ook geen letterlijke citaten gegeven van wat Jezus precies gezegd heeft. Er zijn significante verschillen tussen de diverse Evangeliën. 

46. Volgens de Tenach is in de She’ol geen sprake van herinnering en kennis (Psalm 6:6; Pred 9:10).

47. Vier keer komt de uitdrukking voor: ‘… het Koninkrijk Gods niet beërven’ (1 Kor 6:9, 10, 15:50, Gal 5:21). Maar ook hier gaat het niet over een eeuwige straf. De uitdrukking niet beërven sluit andere scenario’s naast een eeuwige straf niet uit. Judas schrijft over de steden Sodom en Gomorra, die tot voorbeeld zijn gesteld onder een straf van eeuwig vuur. Dat ook hier geen sprake kan zijn van een hel blijkt wel wel daaruit dat hier sprake is van een tot voorbeeld gesteld zijn [ προκεινται δειγμα πυρος αιωνιου ]. Dat impliceert een zichtbaar teken en de sporen van de brand zijn inderdaad nog steeds zichtbaar in het gebied tussen Massada en de Dode Zee.

48. Elk antwoord dat de pretentie heeft een theologisch antwoord te zijn, terwijl de ultieme duisternis in de schepping niet in relatie wordt gebracht met God, is een dualistisch schijnantwoord. Een antwoord op de vraag naar de herkomst van het kwaad in relatie tot de almacht van God heet in de godsdienstwetenschap een theodicee. Het woord theodicee is samengesteld uit twee Griekse woorden: theos en dikè, welke respectievelijk God en recht betekenen. Een theodicee is dus een redenering waarin de rol van God ten opzichte van het bestaan van het kwaad in de onvolmaakte schepping gerechtvaardigd wordt. Het woord schijnt een zinspeling te bevatten op een passage van Paulus in zijn brief aan de Romeinen (Rom 3:5-6). Paulus vraagt zich af of het soms onrechtvaardig van God is zijn toorn te laten voelen. ‘Volstrekt niet’ zegt Paulus. ‘Hoe zal God anders de wereld oordelen?’ (A.H. van Veluw, Waar komt het kwaad vandaan? Over God, schepping en evolutie en de oorsprong van het kwaad, 2010, Heerenveen, p23). Volgens de redenering van Paulus heeft God ondanks het bestaan van het kwaad de lijntjes strak in handen: In Rom 9:16-23 herleidt Paulus het kwaad dat Farao de Israëlieten aandeed inderdaad tot God. Paulus betoogt dat God Farao verhardt teneinde Zijn rechtvaardigheid te tonen. Gods rechtvaardigheid is dus uiteindelijk een voor mensen kenbare eigenschap van God.

49. Er zijn in de praktijk maar weinig christenen die de consequente vraag stellen hoe God tevreden kan zijn met een uiteindelijke werkelijkheid waarin het kwaad nog steeds een plaats zal hebben. Dit sluit aan bij de de idee waarin Gods plannen met zijn schepping voorgesteld worden als een oplossing in een dilemma. Het dilemma is er door toedoen van de zondeval waar God niet op zou hebben gerekend. Vgl. IZB uitgave: René van Loon, Oriëntatiecursus Christelijk Geloof. Dl 1″ de christelijke boodschap, par. 10 “Gods dilemma”. Het evangelie wordt hier voorgesteld als een plan waarmee God gaat redden wat er nog te redden valt.

50. Dr. J. Hoek. Voorbij de dood; p65. Zoetermeer, 199:6

51. Dit concept is gebaseerd op een uitspraak van C.S. Lewis: “Ten slotte zijn er maar twee soorten mensen: zij die tot God zeggen: ‘Uw wil geschiede’ en zij tot wie God uiteindelijk zegt: ‘uw wil geschiede.’ Allen die in de hel zijn, hebben dat zelf gekozen. Zonder die eigen keus zou er geen hel kunnen zijn. Geen ziel die oprecht en standvastig de vreugde begeert zal haar ontberen.” (Het probleem van het lijden, 2001, Kampen, p116; De grote scheiding, 1998, Baarn, p79) 

52. In de bijbel is de Satan geen zelfstandige macht. Hij kan niet los van Gods wil handelen. Hij vervult zijn functie in dienst van God. (Bert van Veluw, De satan een noodzakelijk kwaad, 2012, Heerenveen, p50-1)

53. In de Statenvertaling is het sterk afhankelijk van degene over wie het gaat als het woord Sheol vertaalt wordt met hel of graf. Als Jakob denkt dat hij van verdriet in de Sheol zal afdalen (Gen 42:38) dan vertaalt de SV het woord sheol met ‘graf’. Als Korach en de zijnen levend naar de sheol afdalen dan is dan wordt volgens de SV de hel bedoeld. Het gebeurt dus niet helemaal consequent binnen het vertaalkader van de statenvertalers, ook niet als de SV (eveneens de HSV) in Psalm 139:8 sheol vertaalt met ‘hel’. David geldt immers evenals Jakob als een vrome man dus waarom zou David aan de hel gedacht hebben als plaats waarheen hij zou kunnen vluchten? 

54. Naar aanleiding van een publicatie van Bart Repko is er in de evangelische wereld onrust ontstaan. Volgens Repko heeft de eeuwige hel zijn langste tijd gehad. Op http://www.habakuk.nu schreef Gertjan de Jong een blog met het veelzeggende opschrift hellekunde. Het lijkt er op dat nadenken over dit thema niet bijzonder op prijs wordt gesteld, hetgeen Repko al in de titel van zijn boek heeft laten zien: “Kom niet aan de hel”. De Jong beweert dat hij christenen nooit heeft horen zeggen dat ‘veel joden linea recta naar de hel gaan’. Repko echter stelt een reële christologische vraag aan de orde in het kader van de Joden die omgekomen zijn tijdens de Holocaust. Op de vraag of deze Joden van de ene hel in de andere gekomen zijn, rust blijkbaar nog steeds een taboe. De Jong brengt het niet verder dan een oproep om niet op de rechterstoel van God te gaan zitten en citeert daarbij dankbaar Feike ter Velde. Maar dat is geen antwoord op de vraag die Bart Repko de orthodox christelijke wereld voorhoudt. Sinds wanneer mogen dergelijke vragen niet bijbels en met het oog op de theologische consequenties worden doordacht?

55. Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland. Ingeleid door dr. Klaas Zwanepol.  Athanasius: 39, 2004, Zoetermeer/Heerenveen, p20.

56. In de vroege kerk wordt na de nieuwtestamentische tijd tot de vierde eeuw weinig over de hel gesproken. De eschatologie was volledig geconcentreerd op de vraag van de opstanding van het lichaam. Dat wil zeggen dat voorstellingen over het lot na de dood van hen die niet gelovig of goed zijn geweest geheel ontbreken. (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p96).

57. Origenes die de eeuwigdurende hel afwees op theologische gronden, werd driehonderd jaar na zijn dood alsnog veroordeeld als ketter. (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p103) Sindsdien speelde de leer van de apokatastasis (wederoprichting van alle dingen) nog slechts een rol in nevenstromingen van de kerk zoals griekse patres, middeleeuwse ketters, in nevenstromingen van de Reformatie, in het Piëtisme en diverse personen zoals Oetinger, Schleiermacher, F.D. Maurice, Chr. Blumhardt, en Ph. Kohnstamm, maar de motieven van de voorstanders lopen vaak zeer uiteen. Ook Karl Barth kan tot de voorstanders worden gerekend vanwege zijn geloof in de overmacht van de genade maar ontkent deze positie omdat hij geen systeem wil maken van de genade – KD II,2,p462 en IV, 3, p550. (H. Berkhof, Christelijk geloof, 1973, Nijkerk, p555-6)

58. J. Hoek, Hoop op God. Eschatologische verwachting, 2004, Zoetermeer, p240. Hoek verwijst hier naar de Catechetische lezing XVIII, v,19, in Cathechetical lectures (Catechesis), transl. by Cauley and Stephenson 1969-1970.

59. Augustinus, De Civitate Deï, XXI, 2. 

60. Volgens F. de Graaff, Israël – Hellas – Rome, 1993, Zoetermeer, p521. Augustinus gebruikt de hel als waarschuwing. Het is niet de bedoeling dat we naar de hel gaan, maar dat we tot God onze toevlucht nemen (Augustinus, Sermo 55. Over Matth 5:22). De kerk was staatsgodsdienst geworden en dat had tot gevolg dat het min of meer vanzelfsprekend was geworden om christen te zijn. Na 380 telde je niet meer mee als je geen christen was. Als gevolg nam ook de hoge moraal van de christenen af en dat maakte het volgens Augustinus  noodzakelijk te preken over de hel (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p103).  

61. Augustinus kiest er voor de gevoelige christenen, de uitgaan van een tijdelijke straf, op vriendelijke toon (in een vreedzaam betoog) terecht te wijzen. In De Civitate Deï noemt hij hen ‘onze barmhartigen’. Augustinus gaat ervan uit dat de houding van de christenen die hij vermaant voortkomt uit menselijk medelijden; ‘maar zij dwalen zeer…’ Augustinus weet dat het woord eeuwig, zoals dat in de bijbel voorkomt geen oneindigheid hoeft aan te duiden. Hij verdedigt de eeuwige straf met de stelling dat het eeuwige leven ook niet altijd durend kan zijn als de straf dat ook niet is. (Augustinus, De civitate Deï, XXI, 17; Enchiridion, 112 [Hoofdstuk XXIX, The Last Things]) 

62. Augustinus, Enchiridion, 112 [Hoofdstuk XXIX, The Last Things]: “Dat sommigen, ja zelfs de meesten, de eeuwige straf der verdoemden en hun steeds zonder onderbreking voortdurende kwellingen uit menselijk gevoel bejammeren en niet geloven dat het zo zal zijn…”. Augustinus’ bestrijding heeft niet de toon alsof hij tekeer gaat tegen gevaarlijke ketters. Hij ziet zijn tegenstanders als beste mensen met een warm hart voor hun medemensen. Maar volgens Augustinus gaan zij teveel af op hun menselijk gevoel in plaats van dat ze de Schrift als uitgangspunt nemen. Overigens beroepen Augustinus’ opponenten zich op de Schrift, juist als het gaat om het menselijk gevoel.
Augustinus betoogt dan dat de barmhartigheid van God alleen bestemd is voor de voorwerpen van ontferming (Rom 9:23), de uitverkorenen. (Augustinus, De Civitate Deï, XXI, 17) 
De overtuiging van de kerk in Augustinus’ dagen is dat God de massa van de mensheid bestemd heeft tot een eindeloze pijniging (J. Bonda, Het ene doel van God, 1993, Baarn, p27) 

63. J. Bonda, Het ene doel van God, 1993, Baarn, p26-7.

64. zie noot 41

Over dkaashoek

Bijbel & Theologie
Dit bericht werd geplaatst in Alverzoening, Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Hete hangijzers, Nieuwe Testament, Oude Testament. Bookmark de permalink .

4 reacties op Geschiedenis van de hel – de hel volgens de bijbel en de christelijke traditie

  1. Pingback: BOINNK!!! | De ‘kerkelijke’ geschiedenis van de hel.

  2. oinnk zegt:

    Op alle manieren probeert men het bestaan van de hel te ontkennen , dit is de sterkste troef van satan want waarom zou je, je aan de 10 geboden houden als de hel toch niet bestaat , dan leef je er toch lekker op los.
    Dat is wat nu gebeurt , met alle gevolgen van dien.
    Als ik niet zou geloven zou ik absoluut crimineel geworden zijn want als de wetten van God niet hoeven te worden nageleefd , waarom zou ik me dan wel houden aan die achterlijke landsregeltjes .
    Geweld zou dan regeren bij mij , net zoals bij de rest van de wereld .
    Conclusie : de aarde zou een prachtige plek zijn als men de 10 geboden zou naleven.
    Met het ontkennen van de hel geef je satan ruim baan en ellende en rampspoed zal dan ons deel zijn.
    Maar hou vooral vol dat de hel niet bestaat , dan is je leven hier op aarde al een hel en wacht satan je op in je volgende leven.
    Je zal dan zeggen :” maar je bestond toch niet!” Waarop hij grinnikend zal antwoorden :”ik loog”

  3. dkaashoek zegt:

    Beste oinnk, Bedankt voor je reactie. Het is herkenbaar want veel mensen reageren op die manier. Maar als je om je heen kijkt zie je dat de meeste mensen die niet geloven daar gelukkig niet de conclusie aan verbinden crimineel te willen zijn. Jij bent dus één van de uitzonderingen die daar wel voor zouden kiezen. Nu maar hopen dat je niet van je geloof gaat vallen? Tsja! De hel blijft intussen een raar argument om wel te geloven. Dergelijke argumenten kom ik niet in de bijbel tegen. En waar baseer je de veronderstelling op dat de duivel de baas zou zijn van de hel? Waar staat in de bijbel dat de duivel reden heeft om te grinniken in een situatie waarin hijzelf gestraft wordt? Dat zou inhouden dat de duivel in het duel met God op één of andere manier als winnaar uit de bus zou zijn gekomen. Wat wellicht het geval zou zijn als hij, zoals de orthodoxe christelijke leer veronderstelt, de meeste mensen achter zich aan naar de hel zou kunnen krijgen.
    Gelukkig staat er in de bijbel iets anders. Wij geloven in een God die een behouder is van alle mensen, in het bijzonder van de gelovigen (1 Tim 4:10 – Statenvertaling). Waar dan nog eens fijntjes achter staat: “beveel deze dingen en onderwijs ze”.
    Waarvan akte!

  4. Wilfred Sloetjes zegt:

    Prachtig artikel! Helder geschreven, goed gedocumenteerd. Zou in ieder theologisch tijdschrift niet misstaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s