Job – Esther – Nehemia

 

Job – Esther – Nehemia (Leeshulp bijbeluitdaging 2015 Breukelen en Maarssen 1])

Nehemia 8-13
Esther
Job 1-15

Job – Esther – Nehemia <> Lijdensweg – Ballingschap – Hoop
De volgorde van de afzonderlijke boeken van de Tenach is in de meeste christelijke bijbels anders dan die in de Joodse, de Hebreeuwse bijbel 2]. Ik oriënteer me graag op de originele Hebreeuwse volgorde, die van Thorah, Profeten en Geschriften. De meeste christelijke bijbels hanteren een volgorde die gerelateerd is aan de chronologie van de geschiedenis van Israël. Deze historische focus is bepaald niet een gelukkige invalshoek bij de rangschikking van bijbelboeken 3] maar het is dan wel weer een gelukkige bijkomstigheid dat Esther, na Nehemia grenst aan het eerste boek binnen een reeks van vijf poëtische geschriften: Job, met daarop volgend de Psalmen, de Spreuken, de Prediker en het Hooglied. Dat brengt mij in de gelegenheid om Nehemia, Esther en Job op een oorspronkelijke manier met elkaar te verbinden. Daarbij komt het mij heel goed uit om de omgekeerde volgorde aan te houden: Job – Esther – Nehemia. ‘Heel toevallig’ ook de volgorde waarop ik die boeken aan het eind van de Hebreeuwse bijbel aantref, met andere boeken daar tussen. De trefwoorden die ik aan de combinatie Job – Esther – Nehemia meegeef zijn: Lijden, Ballingschap en Hoop.

De betekenis van Job in relatie tot de Messias van Israël
De meest voorkomende opvatting over het boek Job is dat het hier gaat om een literair geschrift in poëtische vorm zonder historische pretenties. Een soort parabel; een gelijkenis.
Dat er in en buiten het boek ook aanwijzingen voorkomen die een historische setting suggereren hoeft daar niet mee in strijd te zijn (22:16 – zondvloed? – Ezechiël 14:20 – Job als historische figuur?).
In het voordeel van een typologische strekking pleiten een aantal aanwijzingen in het boek zelf. In 1:10 is sprake van een beschermde positie van Job; Satan verwijt God dat Hij een ‘omtuining‘ rond Job heeft gemaakt. God zou Job geplaatst hebben in een bevoorrechte positie. Hoewel Satan hier een karikatuur maakt door de uitverkoren positie als comfortabel voor te stellen is hier toch zeker wel sprake van een duidelijke parallel met de positie van het volk Israël als uitverkoren volk tussen de andere volkeren.
Het zijn vooral Joodse exegeten die Job zien als een typologische figuur. In Job 1:6-12 is Satan de aanklager van Job terwijl hij elders in de Bijbel de aanklager is van het volk Israël (Openbaring 12:10) 4]. En als zodanig beproeft hij in het Evangelie ook Jezus (Mattheus 4:1vv). Maar de parallel met Jezus gaat nog veel verder. In het Joodse mystieke boek De Zohar is Job zelfs de zondebok die plaatsvervangend lijdt vanwege de zonde van het volk (Zohar II, 32b) 5]. Evenals Job niet losgemaakt kan worden van Israël als lijdende knecht staat veel later ook de missie van Jezus als lijdende knecht niet los van die van het Joodse volk waar hij deel van uitmaakt. Op dezelfde manier heeft de profetie van de lijdende knecht in Jesaja 53 primair betrekking op het lijden van het Joodse volk ten behoeve van de volkeren en uiteindelijk ook op het plaatsvervangend lijden van de Messias van Israël 6]. Ook de missie van de Joodse apostelen onder de volkeren bracht plaatsvervangend lijden met zich mee en Paulus zag ook dat lijden in het perspectief van het lijden van Jezus (Kolos 1:24) 7].

Job – lijden
Het onvoorstelbare van het Joodse lijden wordt in het boek Job zonder omhaal benoemd. Het steekt af tegen de goedkope troost die Job van de kant van zijn drie vrienden moet aanhoren.
Er is dan ook het protest in Job 6-7, dat hij laat horen aan het adres van zijn vrienden. Zelfs is er sprake van een heftig protest aan het adres van God zelf (Job 7:17-21).
Het laatste doet denken aan het indrukwekkende tribunaal dat gevangenen in Auschwitz organiseerden tegen God. Het verhaal is van Elie Wiesel. Getuigen verhaalden over de gruwelen van de wereld die God had geschapen, inclusief Auschwitz zelf. Er werd geredetwist over Gods verantwoordelijkheid voor die gruwelen. En uiteindelijk kwam het vonnis: God was schuldig op alle punten van de aanklacht. Het verhaal eindigt met het traditionele ochtendgebed. Iets wat we ook bij Job tegen komen: “Zie, hij wil mij doden, ik verwacht niets,- evenwel zal ik mijn wegen bij zijn aanschijn bepleiten! (Job 13:15, Naardense Bijbel)”. Of zoals een rabbijn het zei tijdens een herdenking in Westerbork: wij weten niet waarom u ons dit liet overkomen. Er rest ons niets anders dan uw grote Naam te loven.

Esther – ballingschap
De naam Esther betekent: ‘ik zal mij verbergen’. De enige plaats in de bijbel waar het woord Esther ook voorkomt is Deuteronomium 31:18. Het is daar vertaald met: ‘ik zal mij verbergen’. Deut. 31 gaat over de ballingschap van het volk. Het verhaal van Esther is bedoeld als ballingschapsverhaal dat ook de tekenen van de verlossing vertelt.
Esther houdt aanvankelijk haar afkomst verborgen. En ook lijkt God in dit Bijbelboek de grote afwezige. Nergens in dit boek komt het woord God voor 8]. Het gebeuren in Esther wordt ‘Purim’ genoemd. Dat wil zeggen: ‘via het lot’. Via het toeval! Niets wordt aan God gerelateerd hoewel zelfs een verstokte atheïst bij het lezen van het verhaal van Esther bijna aan God zou gaan denken. Dit gegeven, de verborgen God, is typerend voor de ballingschap. Het verhaal speelt zich af in Perzië. De tempel in Jeruzalem is verwoest en het volk is weggevoerd naar Babylon.
In Esther dreigt al het onheil dat in Deuteronomium 31 vermeld wordt werkelijkheid te worden. In die situatie verbergt Esther haar afkomst. En dan is er de Jood Mordechai. Hij is zichtbaar aanwezig in de poort. Hoewel deze merkwaardige figuur altijd alleen is. Iemand als Mordechai kan nu eenmaal niet anders dan alleen zijn. Mordechai is de verlosser die niet wordt gezien, niet wordt herkend. Mordechai is de wijze, de rechtvaardige; stil en bescheiden. Maar het kan niet anders of de jodenhater Haman herkent Mordechai wel. En dan komt de crisis! Als Haman een paal opricht om Mordechai aan op te hangen wordt hij vernederd. Heel toevallig (!) omdat de koning na een slapeloze nacht alsnog Mordechai wil belonen omdat deze ooit een staatsgreep had verijdelt. Dit is het begin van de val van Haman (Esther 6:13-14) die zal leiden tot de redding van de Joden en de verhoging van Mordechai (Esther 10).

Nehemia – hoop
In de boeken Ezra en Nehemia gaat het over de terugkeer van de Joden naar het land Israël. Vanaf Nehemia 8 heeft het onderricht in de Thorah door Ezra de Schriftgeleerde prioriteit. Het werk van Ezra en Nehemia zou je in dit opzicht een aanzet kunnen noemen tot het latere Farizeïsme. Het woord Farizeeër heeft bij ons een negatieve klank. Dat is echter ten onrechte. De Talmoedische wetspraktijk van de Farizeeën was, afhankelijk van de diversiteit die er in die groep bestond, min of meer formeel. Maar een belangrijk doel van de strengheid ervan was het voortbestaan van het Joodse volk in een tijd van politieke spanningen. Bovendien was het aantal teruggekeerden tijdens Ezra en Nehemia uiterst gering. Het hoofddoel van Ezra en Nehemia was een vrome trouw aan het verbond die alleen mogelijk was bij een trouwe naleving van de Thorah. De terugkeer naar het beloofde land was een teken van hoop met het oog op de verlossing. Zij het dat er sprake was van een getemperde hoop. Bang als men was voor overspannen verwachtingen die ook weer politieke spanningen konden veroorzaken. Dit was dan ook de reden waarom de Farizeeën uiterst terughoudend waren ten overstaan van Jezus, een Rabbi die veel aanhang had onder de nakomelingen van degenen die de ballingschap niet hadden meegemaakt: het deel van het volk dat dus geen Talmoedische wetbetrachting praktiseerde. In de optiek van de Farizeeën dus “het volk dat de wet niet kende” (Joh 7:49).

—————–

1. De bijbeluitdaging 2015 is een initiatief om in één jaar de hele bijbel door te lezen. Het project is gestart n.a.v. de verschijning van de Bijbel in Gewone Taal. Voor elke leesweek wordt een leeshulp geschreven. Deze leeshulp is door mij geschreven voor de leesgroep Maarssen en Breukelen.

2. Er is mij slechts één uitzondering bekend: de Naardense Bijbel hanteert voor de Tenach de volgorde van de hebreeuwse bijbel. Deze bijbel hanteert echter niet de oorspronkelijke volgorde van de geschriften van de boeken van het Nieuwe Testament.

Volgorde boeken Tenach
Thorah / Wet * Genesis – Exodus – Leviticus – Numeri – Deuteronomium
Nevi’im / Profeten * Jozua – Richteren – 1 Samuel – 2 Samuel – 1 Koningen – 2 Koningen – Jesaja – Jeremia – Ezechiël – Hosea – Joël – Amos – Obadja – Jona – Micha – Nahum – Habakuk – Sefanja – Haggai – Zacharia – Maleachi
Ketoevim / Geschriften * Psalmen – Spreuken – Job – Hooglied – Ruth – Klaagliederen – Prediker – Esther – Daniël – Ezra – Nehemia – 1 Kronieken – 2 Kronieken.

Oorspronkelijke volgorde boeken van het Nieuwe Testament
Jezus en de Apostelen * Mattheus – Markus – Lukas – Johannes – Handelingen
Brieven aan de besnijdenis * Jacobus – 1 Petrus – 2 Petrus – 1 Johannes – 2 Johannes – 3 Johannes – Judas.
Brieven van Paulus * Romeinen – 1 Corinthiërs – 2 Corinthiërs – Galaten – Efeziërs – Filippenzen – Kolossenzen –
1 Thessalonicenzen – 2 Thessalonicenzen – Hebreeën – 1 Timotheus – 2 Timotheus – Titus – Filemon.
Apocalyps * Apocalyps van Johannes.
[Bron: Novum Testamentum Graece – J.M.S. Baljon]

3. De volgorde van de Bijbelboeken in de christelijke canon kan zelfs funest genoemd worden voor het goed verstaan van de Schrift.

4. In Openb. 12 treedt Michaël op als verdediger van Israël. De vrouw in 12:1 staat voor Sion.
*De Pseudepigrafen, Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja. Vertaald, ingeleid en toegelicht door M. de Goeij, p93, n.a.v. IV Ezra 9:38-10:24]
*H. Strack und P. Billerbeck – Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Dritter Band, S812.

5. The Zohar, Volume III, p105, Edition The Soncino Press. translated by: Harry Sperling, Maurice Simon and Dr. Paul P. Levertoff

6. Een dergelijke visie is Joël Marcus toegedaan in Jezus en de Holocaust, bespiegelingen over lijden en hoop. 1998, Ten Have, hoofdstuk: de lijdende knecht.

7. Paulus geeft ook elders blijk van een visie op het plaatsvervangend lijden door israël, met4 name in II Corinthiërs 4:12,15 > Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u. Want het geschiedt alles om uwentwil, opdat de genade toeneme en door steeds meerderen overvloediger dank worde gebracht ter ere Gods.

8. Met name niet in de Hebreeuwse versie. De tekst van de Septuagint (LXX) is uitgebreider.

——-

LITERATUUR

Bijbeluitgaven
Baljon, J.M.S. – Novum Testamentum Graece – J.B. Wolters, 1898.
Naardense Bijbel – vertaler: ds. P. Oussoren – negende druk, dundrukeditie – Skandalon, 2014.

Judaïca
The Zohar – Editie Harry Sperling, Maurice Simon en Dr. Paul Levertoff – Soncino Press, 1970
Strack, Hermann L. / Billerbeck, Paul – Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Band III u IVb
Weinreb, F. – Ik die verborgen ben. Oude overleveringen vertellen van het geheim van het Esther-verhaal – De Ster, 1997.

Andere bronnen
Goeij, M. de – De Pseudepigrafen, Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja. Vertaald, ingeleid en toegelicht. Kok Kampen, 1980.
Graaff, Dr. F. de – Jezus de Verborgene. Een voorbereiding tot inwijding in de mysteriën van het evangelie – Kok Kampen 1987.
Marcus, Joel – Jezus en de Holocaust. Bespiegelingen over lijden en hoop – Ten Have 1989.
Ouweneel, Willem J. – Het Jobslijden van Israël. Israëls lijden oplichtend uit het boek Job. – Medema, 2000.

Geplaatst in Bijbelse theologie, Israël-debat, Nieuwe Testament, Oude Testament | Een reactie plaatsen

De vrijzinnige revolutie

Een blog waarin de geestelijke situatie binnen de PKN buitengewoon raak wordt getypeerd!

Koinonia - Christus belijden

De vrijzinnige revolutie is voltooid. Ook de oecumene is nu exclusief een aangelegenheid van vrijzinnigen geworden. Het evangelie is definitief naar het rijk van de “zingevingsverhalen” verwezen. We evangeliseren niet meer, omdat we de waarheid niet hebben. We nemen de theologie niet meer serieus, want die is te zwaar. We doen samen de “leuke dingen” zonder te weten waarom en waartoe en de Bijbel lezen we zoals wij het willen: selectief, maar vooral “nauwelijks.”

View original post 1.309 woorden meer

Geplaatst in Bijbelse theologie | Een reactie plaatsen

De verdwijning van het protestantisme

Het protestantisme is bezig te verdwijnen. Dat geldt niet alleen de vrijzinnige stromingen.  Die doen het zelfs nog goed door toedoen van een open houding naar andere opvattingen. Nog niet zolang geleden was de orthodoxe variant in de kerk nog stoer met slogans als “de nood van de kerk is de nood van de prediking”. maar vooral de laatste tien jaar is ook in dat segment van de kerk een neerwaartse spiraal te signaleren. En ook evangelische gemeenten hebben hun beste tijd gehad. Alleen de diverse stromingen onder de bevindelijk gereformeerden vormen nog een uitzondering. Maar ook daar is sprake van erosie. Veel predikanten die lid zijn van de gereformeerde bond in de Protestantse Kerk zijn na de scheuring met de Hersteld Hervormden in snel tempo ‘vagebonders’ geworden. Dat kon makkelijk zo gebeuren omdat de bonders niet langer de hete adem van de bezwaarde gemeenteleden in de nek voelden maar in plaats daarvan des te meer geconfronteerd worden met  gemeenteleden die liturgische vernieuwing wensen.

Toerusting in de kerk
Er is in de moderne orthodoxie bijna geen sprake meer van toerusting die dieper gaat dan de oppervlakte van een plat bord. Er is zoiets als een elfde gebod binnengeslopen in de kerk: “gij zult niet nadenken!” Alles moet eenvoudig zijn, in de betekenis van simpel. Bovendien is het een trend geworden dat tijdens bijeenkomsten van bijbel- en gesprekskringen elke mening, mits het benoemen daarvan niet al te lastig aanvoelt voor de andere deelnemers, evenveel waard is. Elke te lastige vraag en elke uitleg met enige diepgang wordt direct afgeserveerd. Op die manier is er natuurlijk geen sprake meer van echte bijbelstudie. Bij een echte gemeenschappelijke bijbelstudie zoek je samen naar onderlinge verbanden tussen diverse bijbelpassages die van belang zijn erbij te nemen. Ik heb bijbelkringen meegemaakt waar geen enkele deelnemer een bijbel bij zich had. Zelfs heb ik meegemaakt dat de te bespreken bijbelpassage voor iedereen op een a4-tje beschikbaar was. Alsof een bijbelfragment op zichzelf te bevatten is.

Het hoeft dan niet te verbazen dat de bespreking van een bijbelgedeelte niet meer oplevert dan een uitwisseling van weinig gefundeerde meningen en geloofservaringen. De dominee die leiding geeft, heeft geen andere rol dan alles wat gezegd is aan elkaar te praten om het er op te laten lijken dat iedereen het met elkaar eens is. Het is zeer de vraag wat ermee gewonnen is om op de hoogte te worden gebracht van een scala aan geloofservaringen en -belevingen. Daarbij komt dat zelden sprake is van meningen die worden gemotiveerd. Motiveren vergt nadenken en nadenken is iets waar de meeste deelnemers aan kerkelijke kringwerk een bloedhekel aan hebben. Van bijbelse onderbouwing van enig gehalte is al helemaal geen sprake en als iemand de euvele moed heeft iets te proberen in die richting wordt die poging direct onbarmhartig neergesabeld.

De kerkdienst
Al lange tijd is er in orthodox christelijke kring sprake van een proces dat wel eens het proces van verkleutering is genoemd. Inmiddels is aan dat proces ook de zondagse kerkdienst opgeofferd. In veel kerken is de zondagse kerkdienst niet meer dan een knusse bijeenkomst waarbij de liturgie de functie heeft de boel op te leuken. De eigenlijke betekenis van liturgie is ‘de orde van een gezamenlijke dienst aan God’. Liturgie heeft dus in wezen niets van doen met opleuken. Een commissie eredienst die dit niet weet heeft een probleem. Deelnemers aan zo’n commissie weten niet dat bezig zijn met liturgie ook theologische kennis veronderstelt. Hun commissie heeft eigenlijk geen andere functie dan die van een feestcommissie. Dan moet je niet vreemd opkijken als er inhoudelijk gezien uiteindelijk nog slechts een bleke kerkdienst resteert. Het gemiddelde gemeentelid  wil ook niet anders meer dan bevestigd worden in de eigen ervaringen. Iets bijleren is niet meer welkom. En dan heb ik het nog niet eens over het steeds vaker voorkomend gezwijmel dat dan moet doorgaan voor ‘woordverkondiging’. Het gaat dan niet meer over de inhoud laat staan over de kwaliteit. De liedjes moeten leuker, vooral opwekkingsliederen want die zijn tegenwoordig hip. Niet meer die saaie psalmen en gezangen. En de preek moet vooral simpel zijn en liefst ook grappig. En na de dienst gezellig koffiedrinken om nog wat na te babbelen over de pas genoten vakantie of over de vakanties die er nog aankomen.

De functie van dominee
Ik heb me wel eens afgevraagd of alle mensen die de hele dienst naar de man op de preekstoel kijken wel echt horen wat die man zegt. Ik denk dat de meeste kerkgangers alleen maar doen alsof ze luisteren. Ze kijken braaf naar de dominee omdat dit zo hoort maar in werkelijkheid horen ze niets. Als de kerkenraad een aap met een jurk aan op de preekstoel zou zetten luisteren ze nog.

Hoe kan het gebeuren dat iemand die zes jaar theologie heeft gestudeerd aan een universiteit zich een rol laat welgevallen waarvoor een kerk veel beter een clown in dienst zou kunnen nemen. Daar moet elke theoloog die zijn of haar vak serieus neemt op den duur een gigantisch minderwaardigheidscomplex aan overhouden! Zou dat de verklaring zijn van het grote aantal predikanten met een burn-out?

Toekomst
De meeste kerkgangers hebben geen enkele behoefte aan echte toerusting. Niet door middel van bijbelkringwerk en een dominee die te moeilijk preekt is ook niet meer welkom. Er is zelfs sprake van een vijandige houding naar alles wat te maken heeft met diepgang. Het is een vorm van nihilisme.

Een christen die niets wil weten over het eigen geloof is als een voetballer die niets met voetballen heeft. Of als een schaker die er maar wat op los schuift met zijn stukken op het schaakbord. Het kan niet anders of deze ontwikkeling moet het begin van het einde zijn van het orthodox gereformeerde protestantisme.

 

 

Geplaatst in Bijbelse theologie | 3 reacties

De hel, geschiedenis en toekomst

[Tekst van de lezing die ik gegeven heb in de Pauluskerk in Breukelen, op 25 sept 2013, t.g.v. een thema-avond over de hel. De avond werd ingeleid door ds. H.H. Schorren, predikant van de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk in Breukelen. Het geheel is na te beluisteren via http://www.kerkomroep.nl]

Het bestaan van een hiernamaals behoort in het Christendom tot één van de meest prominente dogma’s.
In de christelijke leer zoals wij die in het westerse deel van de christelijke kerk kennen is de hel een noodzakelijke tegenvoeter van de hemel: bestaat er een eeuwig leven? Dan ook een eeuwige verdoemenis!
Zo is de officiële christelijke leer.
Het werd niet meer zo vaak hardop gezegd maar ik hoorde het niet lang geleden toch weer in een preek die ik via internet beluisterde. De hel zou nodig zijn om het geluk van de zaligen in de hemel des te sterker te laten uitkomen. Ten behoeve van het besef van de zaligen. Deze stelling werd met veel overtuiging ten gehore gebracht.
Er was in die voorstelling geen sprake van enig mededogen met degenen die het vreselijke lot van de hel moeten ondergaan. Deze voorstelling van de hel behoort tot de meest prominente in de christelijke traditie.
Omdat er vanavond ruimte is voor een bijbelse insteek heb ik de mogelijkheid om de christelijke traditie kritisch te volgen vanuit de Heilige Schrift.
Het aantal bijbelteksten heb ik zoveel mogelijk beperkt gehouden. Ik besefte dat een veelheid aan bijbelteksten vermoeiend kan worden. Ik hoop dat ik in mijn opzet geslaagd ben. Tenslotte lees ik de gelijkenis van Lazarus en de rijke man uit Lukas 16, maar eerst de proloog. Omdat die er toe doet. Daarna volgt een interpretatie.
Daarna een slotwoord met een Joods accent.

Hel en christendom
De geschiedenis van de hel valt niet samen met de geschiedenis van het christendom.
Het is een discussie apart waar we de geschiedenis van het christendom moeten laten beginnen. Ik kies er voor om de kerkgeschiedenis te laten beginnen met Paulus. Hij staat te boek als de Apostel van de heidenen.
De gemeenten die hij stichtte waren gemeenten die waarschijnlijk voornamelijk uit heidenen bestonden.
Die christelijke gemeenten ontleenden hun toerusting aan datgene wat Paulus en zijn medewerkers meedeelden over Jezus en wat er rond Hem gebeurd is en uit  de Heilige Schrift van de Joden; het Oude Testament.
De Evangeliën zijn geschreven om dienst te doen als middel tot toerusting van de jonge christelijke gemeenten.

De gemeenten in Griekenland, Klein-Azië en Italië weekten vanaf het einde van de eerste eeuw los van het Jodendom.
In diverse geschriften van Apostolische Vaders,de leerlingen van de Apostelen, was al sprake van een heftige anti-Joodse mentaliteit. Joodse begrippen in het Nieuwe Testament kregen een totaal andere betekenis.

De rol van de staatskerk
De traditie van de hel is in allerlei varianten leidend geweest vanaf de vierde eeuw tot vandaag. Door toedoen van die traditie heeft de hel een belangrijke hefboomwerking gekregen bij de verkondiging van de leer van de kerk. Dit proces is begonnen met het ontstaan van de staatskerk tijdens keizer Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer van het Romeinse Rijk. Vanaf die tijd werd het steeds belangrijker om christen te zijn. De reden om christen te worden werd steeds vaker ingegeven door opportunistische motieven.
De noodzaak erbij te blijven horen in de maatschappij. Na 380 telde je niet meer mee in de maatschappij als je geen christen was. Grote groepen mensen traden toe tot de kerk. Maar lang niet al die mensen waren echt gemotiveerd voor het christelijk geloof. Het hoge zedelijke peil, dat de christenen tot dan toe kenmerkte, nam sterk af.
Er was naar het oordeel van de geestelijkheid iets nodig om de mensen ervan te doordringen dat er ernst moest worden gemaakt met de heiliging van het leven. Preken over de hel was daarbij een geschikt middel. Angst voor de hel werd een belangrijke hefboom ten gunste van de doorwerking van de leer van de kerk.
Het Evangelie klonk niet langer als een openbaring die blijdschap opleverde.
Er kwamen gemengde gevoelens bij. Er kwam angst bij en die angst is sindsdien een grondstemming geweest in de geloofsbeleving van veel christenen.
Uiteindelijk werd, in 543, tijdens het tweede concilie van Constantinopel het eindeloze karakter van de hel als dogma vastgesteld. Origenes, die er anders over dacht, op theologische gronden, werd daarom driehonderd jaar na zijn dood veroordeeld als ketter.

De tweede en de derde eeuw
De omstandigheden waaronder de strenge leer van de christelijke hel tot stand is gekomen roept een vraag op: hoe werd er in de vroege kerk, de eerste drie eeuwen van het christendom, gedacht over hel en oordeel?
Ik begin met de tweede eeuw van het christendom.
Vanuit dat startpunt ga ik de theologie van Paulus, de theologie van het oerchristendom, belichten vanuit de tekst van het Nieuwe Testament.
Maar eerst iets over het Jodendom van de eerste eeuw.

De hel en het Jodendom
In de vroege kerk was het woord ‘hel’ niet in zwang. Men sprak van ‘het Vuur’, dat werd voorgesteld als een louteringsvuur. De grondgedachte van loutering is ontleend aan het Jodendom. In die lijn wordt de hel door de bekende Rabbijn Evers ‘de grote wasmachine’ genoemd.
De Joodse voorstellingswereld van wat wij de hel noemen wijkt sterk af van die van het christendom. Binnen het Jodendom staat het leven op aarde centraal. Ook de manier waarop Joden ermee leven. Hier op aarde ligt onze opdracht en de beoordeling van ons leven is aan God.
De Talmoed leert dat er in de komende wereld geen sprake meer zal zijn van het een hel.
Ook in de Zohar, het heilige boek van de Kabbala, de Joodse mystieke traditie, is de hel geen blijvende toestand. De laatstgenoemde traditie is nog betrekkelijk jong, ze is ontstaan na de twaalfde eeuw. Maar de wortels van deze traditie gaan terug tot Philo.

Over het karakter van de hel in het Jodendom zijn de meningen verdeeld. Dat heeft vaak als oorzaak dat het niet goed begrepen wordt. De reiniging van de zielen wordt in het Jodendom voorgesteld als een proces dat kan plaatsvinden in een groot aantal verdiepingen. Onwillige zielen dalen steeds dieper.
De onderste verdieping is de eigenlijke hel waar geen terugkeer uit mogelijk is. Alleen de meest onwillige zielen – en dat zijn er niet veel – komen in de hel, het Gehinnom. ´Het Gehinnom is Joods jargon voor wat wij de hel noemen.
Uiteindelijk verdampen die zielen.
Er is in deze Joodse voorstelling geen sprake van een eeuwige straf maar van uiteindelijke vernietiging van degenen die hardnekkig blijven.

De vroege kerk
Terug naar de vroege kerk. Er zijn drie verschillende stromingen te onderscheiden.
De omvangrijkste stroming was die van het universalisme, de alverzoening. Deze leer houdt in dat alle mensen, al dan niet na een tijdelijke straf, uiteindelijk door de genade van Christus gered worden.
Deze stroming had maar liefs vier van de zes theologische opleidingen die er in die tijd waren: Alexandrië, Caesarea, Antiochië en Edessa.
Naast de alverzoening waren er twee nevenstromingen. De kerkvader Tertullianus (160-230) leerde in Carthago de eindeloze hellestraffen en in Ephesos was een catechetenschool gevestigd waar de uiteindelijke vernietiging van de goddelozen werd onderwezen.

De eerste eeuw en het universalisme van de Apostel Paulus
Ik denk dat de sterke neiging tot alverzoening in de vroege kerk te herleiden is tot de prediking van Paulus. De apostel Paulus schrijft op vrij veel plaatsen in zijn brieven over het heil voor alle mensen.
Ik zie geen reden om ervan uit te gaan dat Paulus op die plaatsen iets anders heeft bedoeld dan wat hij schreef.
Augustinus meende dat Paulus doelde op alle soorten mensen. Deze escape wordt nog vaak gehanteerd.

Maar de context bij Paulus is helder.
Ik noem twee citaten:

Rom 5:18 (NBV)
Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven.

Paulus komt in deze uitspraak tot een slotconclusie vanuit een langer betoog.
Die conclusie luidt dat alle mensen zijn veroordeeld door de zonde van één mens (Adam) en dat alle mensen worden vrijgesproken door de rechtvaardigheid van één mens (Jezus Christus).
Deze uitspraak zou haar zin verliezen als de populatie die aangeduid worden met het woord allen niet beide keren dezelfde groep betreffen.

Het tweede citaat:

Rom 11:32 (SV)
Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.

‘Hen allen’ gaat in het verband van de tekst over de Joden. Maar omdat de Joden in de bijbel representatief staan voor de hele mensheid moet de tekst evengoed betrekking hebben op alle mensen.
De tekst houdt in dat de hele mensheid Adam heeft nagevolgd in het zondigen en God heeft die situatie aangewend om een omkeer te bewerken ten goede. Op die manier schenkt God de gehele mensheid vergeving van zonden. Via die weg toont God zijn rechtvaardigheid.

Er zijn nog veel meer citaten te noemen die het universalisme van Paulus’ prediking bevestigen. Ik houd het bij deze twee.

Eeuwige verlorenheid?
Paulus is er in diverse uitspraken duidelijk over dat er mensen verloren gaan.
Er is geen reden om deze uitspraken uit te spelen tegen de duidelijke universalistische uitspraken van Paulus. Ze spreken elkaar ook niet tegen.
Toch staat er een uitspraak in de bijbel, die in de aanhef van 2 Thess. wordt toegeschreven aan Paulus maar dat wordt betwist.

2 Tess 1:9 (HSV)
Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht

Het gaat hier over degenen die geen godsbesef hebben en over hen die het evangelie niet gehoorzaam zijn.

De betekenis van het Griekse woord dat doorgaans  vertaald wordt met eeuwig kan geen argument zijn voor een eeuwige verlorenheid. Het Nederlands kent geen geschikt vertaalwoord voor dit Griekse begrip. Het woord αιων = eeuw of αιωνιος = eeuwig heeft niet als betekenis een oneindige tijd. Het kan een onafzienbare tijd betekenen, gedacht vanuit onze menselijke beperkingen. Maar het is altijd een tijdsduur met een begin en een einde.
De teksten waar de diverse bijbelvertalingen een eeuwig oordeel noemen kunnen dus niet worden aangevoerd als argument dat Gods straf eindeloos zou zijn.
Als het oordeel echt eeuwig zou zijn in de zin van eindeloos dan moet dat uit andere bijbelpassages blijken maar die passages zijn er niet.

Het begrip eeuwig staat voor de context waarin het gericht plaatsvindt: ‘betrekking hebbend op de toekomstige eeuw’,

Het Koninkrijk en het Eeuwige leven

Twee begrippen:

  • het Koninkrijk van God,
  • het Eeuwige leven

Deze begrippen hebben in de loop van de kerkgeschiedenis een andere betekenis gekregen. Aanvankelijk waren het verschillende uitdrukkingen voor het  Messiaanse Rijk op aarde. Binnen het christendom functioneren deze begrippen in de sfeer van een hemelse toekomst.
Ik wil de hemel niet ontkennen maar ik ontken wel dat de Bijbelse uitdrukking ‘het eeuwige leven’ betrekking zou hebben op het naar de hemel gaan na het sterven. De christelijke verwachting van de hemel als bestemming wordt ook beleden als een voorlopige verwachting. Er is immers ook de verwachting van de opstanding uit de doden en het ingaan in het Koninkrijk. De verwachting van de opstanding lijkt binnen het christendom wat naar de achtergrond te zijn verschoven.

De noodzaak van een oordeel
Nog een citaat van Paulus over het oordeel van God over degenen die het kwade hebben teweeggebracht:

Rom 2:9-10 (HSV)
Verdrukking en benauwdheid zullen komen over de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt, eerst over de Jood, en ook over de Griek, maar heerlijkheid en eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek.

Ik heb hier bewust de HSV gekozen omdat hier erg letterlijk wordt vertaald: ‘de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt’.

De praktijk van het leven leert dat niet ieder die het kwade werkt tijdens het leven de rekening gepresenteerd krijgt en tot inkeer komt. Vandaar dat er in Psalm 73 geklaagd wordt over de voorspoed van de goddelozen. De SV en de HSV laten terecht de mogelijkheid open dat het oordeel na dit aardse leven plaatsvindt.
Ook in de vroege kerk werd alverzoening niet geleerd in de platte zin van ‘iedereen komt in de hemel’, zonder meer.
Ook Origenes, die zelfs geloofde dat uiteindelijk de duivel gered zal worden, heeft het oordeel indringend geleerd.
Het accent op de alverzoening in de vroege kerk is onmiskenbaar te herleiden tot de aard van Paulus’ prediking binnen het oerchristendom en tot voorstellingen binnen het Jodendom over de loutering van de zielen.

In de Rooms Katholieke traditie is sprake van een ontspannen omgang met deze tradities van de vroege kerk.
Waarschijnlijk komt dat omdat de Rooms Katholieke Kerk naast de hel ook een vagevuur kent:  gelovigen die hun zonden tijdens hun leven niet geheel hebben uitgeboet worden in het vagevuur gelouterd waarna ook zij in de hemel kunnen worden toegelaten.

Binnen de Rooms Katholieke kerk is sprake geweest van een minimale heilsverwachting (Augustinus) en een maximale (Origenes, Theresia van Lisieux, Gregorius van Nyssa, Paus Johannes XXIII, Hans Urs von Balthasar, Karl Rahner en volgens sommigen ook Paus Johannes Paulus II). Ook Paus Benedictus XVI geeft blijk van een neiging richting alverzoening in zijn encycliek Spe Salvi (in hoop gered 2007).

Benedictus gaat ervan uit dat er heiligen zijn en zondaars die alle liefde in hun leven hebben vertrapt, maar dat ‘de ervaring leert dat noch het één, noch het ander het normale geval is in het menselijk bestaan. Bij verreweg de meeste mensen, zo mogen we aannemen, blijft er een laatste, innerlijke openheid voor de waarheid, voor de liefde, voor God, aanwezig in het diepste van hun wezen.’ De ontmoeting met God zal ongetwijfeld een pijnlijke ontmoeting zijn, zo stelt Benedictus, maar:

in de pijn van deze ontmoeting, waarin ons het onreine en zieke van ons bestaan geopenbaard wordt, is redding. Zijn blik, de aanraking van Zijn hart, geneest ons in een ongetwijfeld pijnlijke omvorming “om zo te zeggen, door het vuur heen”. Maar het is een zalige pijn, waarin de heilige macht van Zijn liefde ons brandend doordringt, zodat wij eindelijk geheel onszelf worden en daardoor geheel aan God toebehoren.

De hel en de praktijk van het geloof
Wanneer gaat iemand, volgens de christelijke traditie, naar de hel?

Laat ik ermee beginnen te zeggen dat de prominente christelijke maatstaven door de orthodoxe stroming van het christendom zijn gedicteerd.
Er zijn diverse stromingen binnen het christendom die hier verschillend over denken. In een min of meer ‘vrijzinnige’ context wordt de gelovigen een eigen zoektocht gegund: wat reikt de traditie ons aan en wat kunnen we handhaven in onze manier van geloven en wat niet. Hoe kunnen we de Bijbelteksten opnieuw lezen en vruchtbaar doen zijn in ons persoonlijk leven en ons leven met elkaar.
Historische realiteit is echter dat er in de vroege kerk veel strijd is geweest over de leer en uiteindelijk heeft de orthodoxe stroming die strijd gewonnen. De leer van de orthodoxe stroming komt hier op neer:

Zij die niet geloven in gehoorzaamheid aan de leer van de kerk gaan naar de hel.

Daarnaast heeft het ook te maken met hoe iemand geleefd heeft en de trouw van de kerkgang doet er ook toe.
Een katholiek belijdenisgeschrift dat zowel door de Rooms Katholieke traditie als door de Gereformeerde Reformatie wordt erkend is de geloofsbelijdenis van Athanasius. De eerste twee artikelen van deze belijdenis luiden:

1. Al wie behouden wil worden, heeft voor alles nodig, dat hij het katholieke geloof vasthoudt.
2. Wie dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan.

Deze geloofsbelijdenis gaat over de leer van de drieëenheid.

Gods rechtvaardigheid
En dan is er nog de Bijbelse notie van gerechtigheid. Hoe  zal er in het goddelijke gericht recht gedaan worden, met het oog op de slachtoffers in de wereld.
Hoe zit het met de slachtoffers die niet in Jezus Christus hebben geloofd?
Gaan deze slachtoffers van een hel op aarde rechtstreeks naar een hel in het hiernamaals?
De Rooms Katholieke opvatting is dat de mensen van goede wil, die niet geloofd hebben toch in de hemel kunnen komen.
In het orthodoxe gereformeerde geloof bestaat strikt genomen de categorie ‘mensen van goede wil’ niet. Elk mens is per definitie onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
De slachtoffervraag stellen kan zelfs taboe zijn: ze wordt veelal afgedaan met schijnantwoorden of gepareerd met de mededeling dat God rechtvaardig is en dat wij, zondige mensen, Gods rechtvaardigheid nu eenmaal niet kunnen begrijpen. In Romeinen 3:25,26 echter schrijft Paulus dat God zijn rechtvaardigheid toont aan de mensen. Volgens de apostel Paulus is Gods rechtvaardigheid dus een voor mensen herkenbare eigenschap van God.

Hoe het ene, het geloof, met het andere, de praktijk van het leven, in verhouding staat is binnen het gereformeerde deel van het protestantisme niet geheel helder. Het wettische leven werd via de leer van de rechtvaardiging buiten boord gezet maar als leerregel der dankbaarheid in het derde deel van de Heidelbergse Catechismus via de achterdeur binnenboord gehouden. Waar ligt de grens? Wanneer is iemand vroom genoeg of niet vroom genoeg geweest in het leven? Wanneer is iemand dankbaar genoeg geweest voor de genade en wanneer niet? De reformatorische geloofsbeleving is sterk vatbaar voor een eenzijdig individualistisch accent dat kan resulteren in zwaarmoedig getob over de vraag of het allemaal wel genoeg is geweest.

Ook kunnen gelovigen worstelen met de vraag hoe het nu zit met in ongeloof gestorven familieleden.
Het is merkwaardig dat Paulus en andere apostelen nergens iets hebben geschreven over dit soort problematiek. En in andere delen van de Heilige Schrift valt er niets van te bespeuren. Mijn conclusie is dat het probleem in bijbelse tijden niet bestond.
Het probleem is pas enkele honderden jaren na Christus ontstaan. Door toedoen van prediking van angst en toenemende macht van de kerk.

De hel van C.S. Lewis
Een omvangrijke groep moderne orthodox gereformeerden  heeft gezocht naar een alternatief, los van oude spagaten.
Het gaat dan om kerkleden die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond binnen de PKN, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Binnen deze kerken is ook een alternatieve visie op de hel populair geworden.
Het gaat dan over de opvatting van C.S. Lewis. Lewis leefde van 1898-1963. Hij was in Ierland geboren en werd een Brits schrijver, letterkundige en christelijk apologeet.
Volgens Lewis zijn er twee soorten mensen: zij die wel in Jezus geloven en zij die niet in Jezus geloven. Op die manier ziet Lewis de hel als een zelfgekozen weg. ‘Uw wil geschiede’ zal God uiteindelijk tegen de ongelovigen zeggen. De hel is in die optiek een plaats die niet door God is geschapen en God is daar ook niet. De hel is in de voorstelling van Lewis te vergelijken met een donkere sombere stad waar mensen een naargeestig bestaan leiden en elkaar het leven zuur maken.

Je zou de hel van Lewis kunnen omschrijven als ‘hell-light’.
Het lijkt minder erg omdat de mensen die er verblijf houden hun aardse bestaan met hun normale manier van doen gewoon kunnen voortzetten.
Maar wie dieper nadenkt moet tot de conclusie komen dat het een cynisch verzinsel is: Lewis vergeet met zijn onderscheiding van twee soorten mensen de slachtoffers in de wereld. In een hel als die van Lewis zullen zij evenzeer slachtoffer zijn als tijdens hun aardse leven.
De opvattingen van Lewis hebben bijval gevonden bij de de Amerikaanse predikant Tim Keller. Keller vertegenwoordigt in de Verenigde Staten de zo genoemde ‘nieuwe calvinisten’.
De leer van de uitverkiezing, die toch typisch gereformeerd genoemd kan worden, speelt geen enkele rol meer in deze groep. In de leer van de uitverkiezing, zoals die door Augustinus en Calvijn is gedicteerd, zijn verkiezing en verwerping elkaars tegenpolen. Ben je niet uitverkoren dan ben je voor eeuwig verloren.
Het is een karikatuur van de bijbelse notie van het uitverkoren zijn.
In de Bijbel is een uitverkorene iemand die door God vooruitgeschoven is om een missie uit te voeren. Iemand ie uitverkoren is, is iemand die dient. Andere mensen moeten er bij getrokken worden.

Recente ontwikkelingen
Sinds de laatste decennia wordt er steeds meer getwijfeld aan het bestaan van een plaats waar mensen voor eeuwig gestraft zouden worden voor zonden die ze in een tijdelijk leven hebben begaan. Natuurlijk weten we allemaal van het bestaan van zware misdadigers, de bekende namen zullen vanavond wel genoemd worden    . Maar wat te denken van een eeuwige straf?  De meeste mensen zijn middelmatig, ook in het zondigen. In dat licht wordt een eeuwige hellestraf als buitenproportioneel ervaren.

Kerkelijk bezwaarschrift Daaf Bokhout
Ook in meer behoudende delen van het Christendom is de hel voor een toenemend aantal gelovigen niet langer vanzelfsprekend.
Enkele jaren geleden, in 2008, werd binnen de Protestantse Kerk in Nederland een bezwaarschrift ingediend tegen een belijdenisgeschrift. Het gravamen van dhr. Daaf Bokhout. De reden van het bezwaar was de leer van de eeuwige straf. Dhr. Bokhout wilde de hel afschaffen.
Kerkelijke molens draaien niet altijd snel; de kerkleiding heeft er vier jaar op geploeterd en zat er waarschijnlijk ook mee in haar maag.
Opmerkelijk is dat alles uit de kast werd gehaald om traditionele definities te handhaven. Natuurlijk had dit te maken met belangen: orthodox gereformeerden binnen de PKN moesten binnenboord gehouden worden. Het zou teveel beroering wekken als het bezwaarde kerklid  teveel gelijk zou krijgen. Het spreekt vanzelf dat het bezwaarde kerklid niet zijn zin kreeg. Orthodox gereformeerden binnen de kerk konden opgelucht adem halen.
De synode van de PKN benadrukte uitdrukkelijk dat er in de kerk ruimte is voor  het standpunt van dhr. Bokhout.

Toenemende aandacht voor de hel in orthodoxe gemeenten
Al met al is duidelijk dat in het meer behoudende segment van het protestantisme de leer van de hel nog steeds belangrijk wordt gevonden. Er is de laatste jaren zelfs sprake van een toenemende aandacht. Niet alleen binnen het reformatorische en confessionele smaldeel van de kerk maar ook in een kring als het Evangelisch Werkverband binnen de PKN en sommige vrolijke uitbundige evangelische gemeenten hebben de hel zelfs prominent in hun belijdenisgeschrift staan.

De Gehenna-uitspraken van Jezus
Een veel gehoord argument voor het bestaan van een hel is de stelling dat juist Jezus Christus het meest van alle profeten over de hel heeft gesproken. Los van de vraag of dit waar is kan je daar de vraag tegenover zetten: hoe komt het dan dat Mozes, de profeten en de apostelen er niet over hebben geschreven? Wie de stelling roept heeft een probleem. Jezus deed niets anders dan verwijzen naar Mozes en de profeten. Hoeveel hel kan er dan geweest zijn in de woorden van Jezus? En waarom heeft Paulus de hel nooit genoemd?

In de beide Evangeliën Mattheus en Markus staan een aantal teksten over de Gehenna. In de klassieke bijbelvertalingen staat dit woord steeds vertaald met hel. In de NBG51 vertaling gebeurt dat 12 keer.
De vertalers van de NBG51 hadden oorspronkelijk dit woord niet met hel vertaald maar ze werden teruggefloten door een orthodox gereformeerd kerkgenootschap die dreigde zich uit de commissie terug te trekken.
Dus toch maar weer ‘hel’ voor Gehenna in de NBG51 vertaling. In de NBV komt het woord hel helemaal niet meer voor.

Gehenna betekent letterlijk: dal van Ben Hinnom.
Het is een dal bij Jeruzalem waar in de tijd van de koningen Achaz en Manasse kinderoffers werden gebracht aan de afgod Moloch. Dat was er de oorzaak van dat het dal vervloekt werd.
De aardrijkskundige lokatie ‘dal van de zoon van Hinnom’ is later model gaan staan voor een straf in het hiernamaals. De gehenna-uitspraken van Jezus worden doorgaans ook in die betekenis opgevat.
Het is de vraag of dit terecht is.

Ik geef een citaat

Markus 9:47-48 (NBV)
En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden,
waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.

Vers 48 is een citaat uit:

Jesaja 66:24 (NBV)
Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.

De situatie die genoemd wordt in Jes. 66:24 gaat over het dal van Ben Hinnom bij Jeruzalem. De tekst zegt dat in dat dal lijken worden verbrand. In dat verband wordt gesproken van een knagende worm die niet sterft en vuur dat niet uitdooft.
Hier is geen sprake van een eeuwig vuur in het hiernamaals maar van vuur op een aardse locatie. Er worden geen zielen getuchtigd maar lijken verbrand.

De centrale missie van Jezus
Het is van belang om hier de missie van Jezus te begrijpen.
Jezus roept op tot een radicale levenspraktijk volgens de Thorah. Dit houdt verband met de komst van het Koninkrijk dat aanstaande was. Het Koninkrijk zal doorbreken als het volk gehoorzaam Jezus navolgt. Het Koninkrijk zal uitgesteld worden als het volk niet navolgt. Uiteindelijk is het Koninkrijk niet gekomen en is het volk in ballingschap gegaan.
Er is in de tekst geen ruimte voor een grijs gebied tussen navolgen en niet navolgen. Niet navolgen uit zich uiteindelijk in het willen blokkeren van het Rijk van God. Jesaja 66:24 beschrijft het lot van de opstandelingen.
De Gehenna-uitspraken van Jezus staan in die context en gaan daarom niet over brandende zielen in een hiernamaals.

De diaspora
Diverse keren heeft Jezus de situatie van de diaspora genoemd:

Lukas 21:24 (NBV)
De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.

Matth 8:11-12 volgens de lezing van de Codex Sinaïticus
Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen; 12 maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgaan (exeleusontai = uitgaan) naar het uiterst duistere (ekblethesontai); daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

Doorgaans wordt er in de vertalingen gesproken van uitwerpen in de buitenste duisternis. De Codex Sinaïticus heeft hier een ander woord waarbij geen sprake is van uitwerpen maar van uitgaan. Deze lezing houdt in dat de kinderen van het Koninkrijk – het volk Israël – zelf uitgaan en  dus niet worden uitgeworpen. Waarheen gaat het volk? Het volk gaat in de verstrooiïng, de diaspora. De situatie van de diaspora is voor Israël een uiterst duistere situatie geworden. In deze tekst wordt die situatie getypeerd met de woorden ‘geween en tandengeknars’.

De vuurpoel
In de Openbaring aan Johannes is op diverse plaatsen sprake van de poel die brandt van vuur en zwavel.

Er zijn verschillende benamingen :

  • de poel van vuur en zwavel
  • de poel die brandt van vuur en zwavel
  • de vuurpoel

Deze poel is een zinspeling op de Dode Zee. De Dode Zee en de directe omgeving staan in verband met de steden Sodom en Gomorra waarvan we lezen in het boek Genesis. In het oordeel dat beschreven wordt in de Openbaring aan Johannes worden de dood, het dodenrijk, ‘het beest en de valse profeet’ in de vuurpoel geworpen.
Uiteindelijk ook allen die niet geschreven zijn in het boek van het leven.
Als we de Nieuwe Bijbelvertaling en vele andere bijbelvertalingen moeten geloven blijft de vuurpoel bestaan tot in eeuwigheid. Soms zelfs wordt vertaald ‘tot in alle eeuwigheden’. Letterlijk staat er echter: ‘tot in de eeuw van de eeuwen’. Het gaat hier om de voltooiïng.
De eeuw van de eeuwen is de finale eeuw, waarin alle dingen hersteld worden: het zijn de tijden van de wederoprichting van alle dingen, ook genoemd in Hand. 3:21. De beeldspraak sluit aan op de profetie van Ezechiël over de tempelbeek (Ezech. 47:8) Het water stroomt vanuit de tempel van het Nieuwe Jeruzalem door de oostelijke landstreek, dan naar beneden de Jordaanvalei in, en mondt uit in de Dode Zee. Wanneer het de zee instroomt wordt het water zoet.
Een parallel van dit gebeuren is te lezen in Openb. 22:1-2, waar het gaat over een rivier van levend water, die ontspringt aan de troon van het Lam. In Openb 22:2 is sprake van een genezend proces: de bladeren van de levensboom dienen tot genezing van de volkeren.

Lazarus en de rijke man
Jezus vertelde de gelijkenis van Lazarus en de rijke man in een heel speciale context. De gelijkenis werd door Jezus verteld direct naar aanleiding van de reactie van de Farizeeën op de gelijkenis over de corrupte rentmeester. Ik beperk de lezing tot de gelijkenis van Lazarus en de rijke man, voorafgegaan door de woorden die volgen op de gelijkenis van de corrupte rentmeester.

Lucas 16:10-31
10 Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. 11 Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? 12 En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
14 De farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor hem op. 15 Maar Jezus zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen altijd voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God.
16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen. 17 Maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat er ook maar één tittel van de wet wegvalt. 18 Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt overspel.
19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

Een belangrijk detail in het verhaal is de naam Lazarus. Waarom die naam? En waarom heeft de rijke man geen naam? Of is de identiteit van de rijke man misschien niet direct zichtbaar?
Een onbekend iemand kan aan de hand van bepaalde kenmerken worden geïdentificeerd. Kleding bijvoorbeeld: de rijke man draagt purperen gewaden en fijn linnen. Purperen gewaden werden in Bijbelse tijden gedragen door koningen (Esther 8:15),  fijn linnen door priesters (Exodus 28:5).
De rijke man wordt ‘kind’ genoemd in de tekst: kind van Abraham’. En later blijkt nog eens dat hij vijf broers heeft, net als de stamvader Juda, die vijf broers had. Allen zonen van stammoeder Lea. Dat waren Ruben, Simeon, Levi, Issakar en Zebulon.
De rijke man draagt koningskleding en priesterkleding. Het is een verwijzing naar het volk Israël dat tot roeping heeft een koninkrijk te zijn van priesters ten behoeve van de volkeren (Exodus 19:6).
Er is geen grotere tegenstelling denkbaar met Lazarus. Zijn huid was overdekt met zweren en honden die zijn zweren likten waren zijn enige gezelschap. Deze onreine man staat voor de onreine heidenen, de volkerenwereld. Lazarus draagt dezelfde naam als die van de Aramese knecht van Abraham, Eliëzer.

Met dit decor zet Jezus de denkwereld van de geestelijke elite van Zijn tijd totaal op zijn kop. In hun optiek is een kind van Abraham, een Jood, vanzelfsprekend bestemd voor het paradijs. Heidenen, niet-joden zijn onrein. Zij gaan na hun dood een vuuroordeel tegemoet. Het is een zelfvoldaan wereldbeeld dat Jezus hier op de hak neemt. In het wereldbeeld van de geestelijke elite was geen plaats meer voor de oorspronkelijke missie van Israël ten behoeve van de volkeren. Fijntjes staat het vermeld in het verhaal: Lazarus hoopt zijn maag te vullen met wat er overblijft van de tafel van de rijke man. Het is de essentie van het uitverkoren zijn als volk van God. Het is de missie van Israël het licht van de Thorah te laten schijnen naar de volkeren. Maar Lazarus krijgt niets om zijn maag te vullen.

De beschrijving van het vuuroordeel dat de rijke man moet ondergaan kan zo weggelopen zijn uit de voorstellingswereld van de Talmoed, de uitleg van de Thorah waar de Farizeeën bijzonder aan waren gehecht. Dat geldt ook de voorstelling waarbij Lazarus door engelen gedragen werd tot aan Abrahams hart. Eveneens de wijde kloof tussen de diverse delen van het dodenrijk is Talmoedisch.
Deze voorstellingswereld is niet te herleiden tot de Hebreeuwse bijbel. Het is de voorstellingswereld van de Farizeeën die hier door Jezus wordt gehanteerd.

Niet de Talmoed is hier uiteindelijk richting gevend, maar ‘Mozes en de profeten’, de Hebreeuwse bijbel. De rijke man smeekt Abraham om Lazarus naar zijn vijf broers te sturen. Hij wil dat zijn broers gewaarschuwd worden voor dit oord van kwelling. Zij hebben Mozes en de profeten, zo luidt het antwoord van Abraham.
In de boeken van Mozes en in de boeken van de profeten echter is helemaal niets te lezen over een plaats als hier beschreven wordt.

De spits van het verhaal blijft gericht op de eigenlijke missie van Israël, een licht te zijn onder de volkeren en dat is iets dat moet worden gepraktiseerd in het leven op aarde. En daarover is wel te lezen in Mozes en de profeten.
In de tekst van de NBV wordt de plaats in het dodenrijk  ‘dit oord van martelingen’ genoemd. En inderdaad kan het griekse woord βασανισμος (basanismos) marteling betekenen. Het grondbegrip  βασανος (basanos) echter staat primair voor een toetssteen waarop goud wordt beproefd.

Dit woord benadrukt het louterende doel van het vuur. De vraag van de rijke man om zijn vijf broers te waarschuwen geeft er blijk van dat de toetssteen effectief is.

De rijke man dacht tijdens zijn aardse bestaan altijd alleen aan zijn eigen belang.
Net als de Farizeeën, die in de tekst geldzuchtig worden genoemd.
De rijke man keek niet om naar de doodzieke Lazarus die honger leed aan zijn poort en liet de zorg voor Lazarus over aan de honden. Merkwaardig is dus nu de switch die de rijke man maakt. Nu bekommert hij zich al om zijn broers. Hij gaat er op vooruit.

Tenslotte vraagt de rijke man of Lazarus uit de dood mag opstaan om zijn broers te waarschuwen. Hij laat het er niet bij zitten en dring dus zeer aan. De gedachte is dat er zeker geluisterd zal worden als er iemand uit de dood opstaat. Abraham benadrukt: als zij niet luisteren naar Mozes en de Profeten zullen ze ook niet luisteren als er iemand uit de dood op staat.
Merkwaardig genoeg staat er in één van de Evangeliën inderdaad een Lazarus op uit de dood (Joh 11:11). Een hoofdstuk verder staat vermeld dat de hogepriesters beraamden om Lazarus te doden(Joh 12:9-11).

Evenredigheid van straf en de goddelijke proporties.
Het is een goed Joods gebruik om een verhaal positief te eindigen. Er is alle reden om dat ook te doen bij een verhaal over hel en oordeel.

Een aantal Bijbelpassages benadrukken een evenredigheid van straf naar de mate van het kwaad dat heeft plaatsgevonden. De straf heeft een totdat: evenals in de gelijkenis van de schuldenaars:
een schuldenaar kreeg zijn schuld kwijt gescholden. Maar hij had geen medelijden met een man die hem iets schuldig was. Die man moest hem tot de laatste cent betalen.
De schuldeiser van de ondankbare schuldenaar hoorde daarvan.
En dan staat er in

Matt 18:34-35
En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald
Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’.

Ook Jezus wist dus van een ‘totdat’.
Als illustratie noem ik de profetie van Amos. God doet recht aan de slachtoffers. Zo oordeelde God de koning van Edom omdat dit volk van geen ophouden wist en onverzadigbaar was in het oorlog voeren:

Amos 1:11-12 (Naardense Bijbel)
Zo heeft gezegd de Ene:
om drie misstappen van Edom
of om vier, zal ik hem niet kerkeren,-
maar wel omdat hij met het zwaard
zijn broeders achtervolgd heeft
en zijn ontferming heeft vernietigd;
zijn toorn blijft voor altijd verscheuren
en zijn verbolgenheid is immer waakzaam
ik zal een vuur uitzenden in Teman,-
dat Botsra’s paleizen zal verteren!

God maalt niet om drie of vier misstappen van Edom. Maar een mateloze toorn, die van geen ophouden weet, van Edom tegen zijn broeder is er de oorzaak van dat God actie onderneemt tegen de koning van Edom.

Als God rechtvaardig oordeelt handelt God volgens zijn eigen principe. En nergens staan de goddelijke proporties van gericht en goedheid zo kernachtig verwoord als in:

Psalm 30:6 (SV)
Want een ogenblik is er in Zijn toorn,
maar een leven in Zijn goedgunstigheid;
des avonds vernacht het geween,
maar des morgens is er gejuich

En als u de tekst liever in de NBV hoort:

Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

Geplaatst in Actualiteit, Alverzoening, Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Hete hangijzers, Israël-debat, Nieuwe Testament, Oude Testament | 4 reacties

Refobaptisten

Naar aanleiding van een artikel in het Reformatorisch Dagblad van donderdag 13 juni jl schreef ik een commentaar van bijna 300 woorden voor de rubriek Opgemerkt. Vandaag trek ik de conclusie dat de redactie van het RD mijn bijdrage heeft geweigerd. Het zij zo; ik denk dat veel lezers het de redactie ook niet in dank zouden hebben afgenomen als het wel was geplaatst. Zo gaat dat nu eenmaal, vooral als er een gevoelig thema aan de kaak wordt gesteld. Hier volgt mijn bijdrage:

Refobaptisten

Volgens ds. E.E. Bouter is de oprichting van een refobaptisten-gemeente in Overberg scheurmakerij (RD 13-6). Dit is een hard oordeel dat roept om een weerwoord. Elk kerkgenootschap of beweging heeft het recht om gemeenten te stichten en de nieuw opgerichte gemeente heeft het karakter van een streekgemeente die toevallig een onderkomen heeft gevonden in Overberg. Op het eerste oog lijkt sprake te zijn van een overdreven reactie van de dorpsdominee van Overberg, ware het niet dat achter het oordeel van Bouter een traditioneel vijandbeeld schuilgaat: de wederdopers met wie Calvijn het zo te stellen had. Des te pijnlijker moet het zijn als zich nu zelfs refobaptisten aandienen.
Dit vijandbeeld blijkt ook uit een lange zin in Bouters betoog waar hij wil dat gemeenteleden er niet toe overgaan eigen opvattingen te drijven, gehoorzaam zullen zijn aan het ambtelijk gezag, geduld oefenen en wachten op de Here. Hoe stelt Bouter dat zich voor? Het lijkt er op dat het geduldig wachten per definitie niet mag resulteren in geestelijke rijping door middel van een zelfstandige individuele ontdekkingstocht in de Schrift en in de traditie, buiten de zondagse preek en buiten het kerkelijke kringwerk en buiten de boekjes van de eigen dominees om. Het “gevaarlijke” werk is aan de dominee voorbehouden; hij weet de weg en hij weet wat de ware toets kan doorstaan.
Zelfstandig nadenkende individuen zijn in dat concept storend voor de eenheid. Zij moeten in bedwang worden gehouden en mogen hun persoonlijke visie dus niet gaan ‘drijven’.
In plaats van in gesprek gaan met degenen die men vanuit een star confessionalisme ervan verdenkt dat het dissidenten zijn, verstoort men zelf de eenheid door een vijandbeeld te creëren.
Zonder dat traditionele vijandbeeld zou de nieuwe gemeente in Overberg niet eens nodig zijn geweest.

Ik ben me ervan bewust dat deze bijdrage wat scherp van toon is maar ook als ik het nu teruglees zou ik het niet anders hebben willen en kunnen doen. Ik heb ook niet alles kunnen schrijven wat ik graag zou hebben gewild. Een limiet van 300 woorden is een prima regel omdat briefschrijvers op die manier gedwongen worden hun verhaal kort te houden. Nu ben ik dan in de gelegenheid om het ontbrekende aan te vullen. Zo had ik willen memoreren dat nog niet zo lang geleden in het Zuid Hollandse kerkrijke dorp Sliedrecht een Gereformeerde Gemeente is geïnstitueerd. Aanvankelijk was het een afdeling van de gemeente in Giessendam en uiteindelijk is die afdeling een zelfstandige gemeente geworden. Ik heb toen in het RD niets gelezen over scheurmakerij. Sterker zelfs, de gemeente heeft tijdelijk en welwillend onderdak gekregen in een Christelijk Gereformeerd kerkgebouw. Geen enkele dominee in Sliedrecht voelde zich geroepen om naar aanleiding van de nieuw opgerichte kerkelijke gemeente geschokt te reageren. En terecht natuurlijk: leden van de Gereformeerde Gemeenten die tot voor kort nog in Hardinxveld-Giessendam kerkten kunnen in het vervolg in hun woonplaats ter kerke gaan. Wie zal dat deze mensen willen misgunnen?

Zo zullen in het Utrechtse Overberg ongetwijfeld christenen wonen die niet hun kerkelijke onderkomen hebben in de kerk waar ds. Bouter aan verbonden is. Dat is tot nog toe geen reden geweest voor de dorpsdominee van Overberg om zenuwachtig te worden over de geestelijke veiligheid binnen zijn territorium en dus van de gelovigen die aan hem zijn toevertrouwd.
Daarbij komt dat in de loop van de jaren veel tot dan toe trouwe kerkmensen kerkelijk dakloos zijn geworden door toedoen van een gewijzigde opvatting over de doop en daardoor is er voor hen geen plaats in de bestaande reformatorische herbergen. De nieuwe gemeente in Overberg wil er in de hoedanigheid van streekgemeente vooral voor die mensen zijn.

De situatie is herkenbaar. Bijna veertig jaar geleden werd mijn gezin ook kerkelijk dakloos. Eveneens naar aanleiding van gewijzigde opvattingen over de kinderdoop. We hadden nog niet de kans gehad om er een woord over te zeggen laat staan te ‘drijven of te drammen’ of we lagen er al helemaal uit. Inmiddels leven we bijna veertig jaar later en ik constateer dat de houding van de gevestigde orthodoxie binnen de reformatorische kerken nog weinig veranderd is. Naar aanleiding van wat mijn gezin destijds is overkomen en wat ik nu om me heen zie aan vergelijkbare situaties vraag ik me af waar nu eigenlijk de echte drijvers en drammers zich bevinden. Het confessionalisme viert hoogtij mede dankzij het vierhonderdvijftig jarig bestaan van de Heidelbergse Catechismus. Ik hoor over kerkleden die ouderlingen op visite krijgen die de bijbel slecht kennen en nog nooit één letter theologie gelezen hebben en die komen vertellen dat het kerkelijk gezag gehoorzaamd dient te worden. Het is op zich deerniswekkend om te constateren dat deze mensen zogenaamde dwalende gelovigen moeten terechtwijzen en daarom begrijp ik niet goed wat ds. Bouter bedoelt met de woorden:

Het zal toch zo gaan dat gezinnen uit gemeentes waar ze al jaren kerken en waar ze moesten leren wat het is om geduld te oefenen, de eigen opvatting niet te drijven maar zich aan kerkelijk gezag te onderwerpen en te wachten op de Here, worden weggezogen naar dit nieuwe groepje en zo de eenheid van de Kerk nog verder aftakelen? 

Denigrerend wordt de nieuwe gemeente ‘dit nieuwe groepje’ genoemd waarvan het kerkelijk gezag vindt dat mensen zich er ver van dienen te houden. Maar het ergste is dat men deze mensen binnen de eigen ‘grote kerk’ geen beter vooruitzicht kan bieden dan dat ze hun mond moeten houden, het kerkelijk gezag gehoorzaam moeten zijn en… ‘te wachten op de Here’… Dat laatste klinkt als een vloek: hoe kan de naam van God verbonden worden met het monddood maken van kerkleden? Een handelwijze die zelfs op gespannen voet staat met het zesde gebod: Gij zult niet doodslaan… 

Geplaatst in Actualiteit, Hete hangijzers, Schrift en/of Belijden | Een reactie plaatsen

Geschiedenis van de hel – de hel volgens de bijbel en de christelijke traditie

Inleiding
Met deze blog wil ik een overzicht geven van de manier waarop het traditionele standpunt over de hel 1] tot stand is gekomen. De rol van de bijbel daarin is tweeledig. Wat mij betreft staat het schriftgezag niet ter discussie 2]. Wel staat ter discussie het gezag van bijbelvertalingen, omdat vertalers nu eenmaal min of meer de eigen traditie binnengedragen hebben in de diverse vertalingen 3]
   Het spreekt vanzelf dat het fenomeen woord-studie in dit artikel een belangrijke rol speelt: wat staat er in de originele handschriften van de bijbel en hoe zijn de afzonderlijke woorden en begrippen in de diverse vertalingen tot stand gekomen en hoe consequent is dat gebeurd.
Het tweede deel van de blog gaat over de hel in de preek. Hoe functioneert de traditionele leer in de preek en hoe gaat men daarbij om met de bijbel en de traditie. Ik gebruik daarbij twee recente voorbeelden. 

   Het derde deel van deze blog gaat over de vraag hoe het huidige denken over de hel tot stand is gekomen in de christelijke traditie. De manier van denken in de eerste vier eeuwen van het christendom is namelijk niet eenduidig geweest. Het is vooral een kwestie waarbij referentiekaders een belangrijke rol speelden. En dan gaat het vooral over tegenstellingen tussen aan de ene kant Griekse en Joodse en aan de andere kant Romeinse en Christelijke referentiekaders. 

De bijbel en de hel
Bij de vraag hoe vaak de hel genoemd wordt in de bijbel maakt het een groot verschil welke vertaling er wordt gehanteerd. In de NBG51 vertaling bijvoorbeeld komt het woord hel alleen voor in het Nieuwe Testament, terwijl volgens de Statenvertaling, de Herziene Statenvertaling en de Naardense Bijbel de hel ook voorkomt in het Oude Testament. En in de Nieuwe Bijbel Vertaling wordt de hel helemaal niet genoemd. Omdat er nu eenmaal ook sprake is van vertaaltradities is de vraag relevant: komt de hel ook voor in de Schrift, in de originele tekst van de bijbel?
Nergens in de Tenach, het deel van de bijbel dat wij doorgaans het Oude Testament noemen, lezen we van een verwachtingspatroon in de sfeer van voortleven tijdens de dood. In plaats daarvan is sprake van de onmogelijkheid God te loven in het dodenrijk (Jes 38:18, Psalm 115:17; vgl: Pred 9:5, 10). Het Oude Testament kent niet de idee van een onsterfelijke ziel 4]. De Schriftplaatsen laten er geen misverstand over bestaan: tijdens de dood is er geen sprake van bewustzijn. Volgens de Tenach gaan de doden, niemand uitgezonderd, naar de she’ol, het dodenrijk. Toch is het Hebreeuwse woord she’ol aanleiding geworden tot veel speculatie en in die lijn brengt de orthodoxe theologie dit woord in verband met een bewuste vorm van voortleven tijden of in de dood in een hiernamaals 5]. En dat terwijl het gebruik van het woord she’ol in de Tenach een heldere eenduidige betekenis heeft waarbij een scheiding van wegen, hemel en hel, niet wordt benoemd 6]. Orthodoxe theologen hebben daar iets op gevonden: in de tijd van het Oude Testament zou nog geen sprake zijn geweest van een heldere openbaring over het hiernamaals en Jezus zou dat manco hebben aangevuld. De gelijkenis van Lazarus en de rijke man (Lukas 16:19-31) wordt dan gezien als een moment waarop Jezus iets nieuws openbaarde. Er is veel te doen over het literaire genre van gelijkenissen in het algemeen en deze gelijkenis in het bijzonder maar de kwestie over het genre speelt geen of nauwelijks enige rol bij degenen die gelijkenissen beschouwen als verduidelijking van de boodschap met behulp van eenvoudige voorbeelden uit het dagelijks leven 7]. In die lijn wordt deze gelijkenis niet zelden gelezen als een verslag van wat er na de dood met mensen kan gebeuren. De merkwaardige rol van Abraham (Lukas 16:23, 24, 25, 29, 30) wordt dan gezien als aankleding van het verhaal zonder relevante betekenis binnen de uitleg van het verhaal. Evenals de details over de kleding van de rijke man (purper en fijn linnen – Lukas 16:19) en de vijf broers die hij in het verhaal heeft (Lukas 16:27) zouden er evengoed acht geweest kunnen zijn 8]. Het enige wat telt volgens deze benadering is dat de rijke man pijn lijdt in de hel (NB: hades!) als bewijs dat de hel echt bestaat en dat de rijke man geen naam heeft in tegenstelling tot Lazarus. Een antenne voor literaire elementen in beide gelijkenissen in Lukas 16 ontbreekt volkomen 9].

Hebreeuwse en Griekse tekst
Ons begrip ‘hel’ wordt in relatie gezien met één Hebreeuws woord in het Oude Testament; She’ol, en drie Griekse woorden in de grondtekst van het Nieuwe Testament; Hades, Gehenna en Tartaros. Bij geen van deze woorden past rechtstreeks het Nederlandse woord hel. Van belang is om te beseffen dat het vertalen van de bijbel veelal sterk samenhangt met de traditie, de theologische smaak van de vertalers. Dat de theologische voorkeur in combinatie met het vertalen van de bijbel problemen kan opleveren ligt voor de hand. Bepaalde vooronderstellingen kunnen namelijk aanleiding zijn tot een verward totaalbeeld waarbij een bepaald woord met hel wordt vertaald, zodra dat in theologisch opzicht verantwoord heet maar als dat laatste niet het geval is dan vertaalt men hetzelfde woord net zo makkelijk met het neutrale woord graf 10]

She’ol
In het volgende overzicht is de diversiteit aan weergaven van het woord she’ol in de diverse bijbeluitgaven in beeld gebracht. De meest orthodoxe vertalingen – SV en HSV tonen grote contrasten terwijl de Naardense Bijbel eveneens grote contrasten laat zien. De WV95 heeft ook veel varianten maar die zijn niet per definitie tegenstrijdig met elkaar.

Sheool

De meest concordante vertalingen van het woord she’ol – en die geven bij dit woord tevens de meest letterlijke vertaling – zijn te vinden in ISA, Schriftwoord van Wim Janse, NBG51 en NBV. She’ol betekent letterlijk onzichtbaar, aan het oog onttrokken 11]. ISA en Schriftwoord kiezen voor die basisbetekenis. NBG51 en NBV kiezen consequent voor dodenrijk, dood of onderwereld 12]. De SV en de HSV pendelen tussen de begrippen hel en graf, al heeft de HSV daarnaast zes maal het begrip ‘rijk van de dood’ als betekenis gehanteerd. De HSV vertalers kozen maar liefst achtenveertig keer voor het vertaalwoord graf: veel vaker dan in de SV het geval is. Het woord graf als vertaling voor she’ol functioneert eigenlijk als verlegenheidsvertaling. Het is bekend dat het begrip dodenrijk traditioneel gevoelig ligt binnen de doelgroep van de HSV maar toch lijken de HSV-vertalers te beseffen dat de betekenis in die richting moet worden gezocht 13]

Hades
De betekenis van het woord hades is gelijk aan dat van het Hebreeuwse woord she’ol.

HADES

ISA, NBG51 en NBV en NB geven de meest concordante vertaling voor hades 14]. Schriftwoord wijkt één maal af van ‘het ongeziene’ in Openb 6:8. De HSV blijft hinken op drie gedachten met twee maal graf, vier maal dodenrijk en vier maal hel. Schriftwoord vertaalt bovendien υπαρχων εν βασανοιs in Lukas 16:23 15] met ‘beproefd wordend’ en doet daarmee recht aan de basisbetekenis van het  Griekse woord βασανος = toetssteen voor het goud. De NBV en de WV95 komen ook in die richting met ‘(in de pijn) gekweld worden’. De kwelling heeft een doel, zoals tuchtiging in de Schrift altijd een corrigerend doel heeft (Lev 26) 16].

Gehenna
Het woord Gehenna 17] wordt in bijna alle bijbelvertalingen met hel vertaald.

GEHENNA 

Uitzonderingen zijn: ISA, Schriftwoord en NBV. Het woord heeft het karakter van een geografische plaatsaanduiding: een locatie nabij Jeruzalem met de historische naam: het dal van Ben Hinnom 18]. Orthodoxe vertalers gaan er van uit dat de naam van die locatie in het NT als metafoor dient voor de plaats van de eeuwige straf 19]. De werkelijkheid is dat het betreffende dal bij Jeruzalem in de profetie de plaats is waar een oordeel zal plaatsvinden, bij het aanbreken van het Messiaanse Rijk. Volgens Jes 66:24, waar het gaat over het verbranden van lijken. In die context staat de uitdrukking van de worm die niet sterft en het vuur dat niet uitdooft. Deze uitdrukking kan dus geen betrekking hebben op de hel want ze maakt binnen de context van Jes 66 deel uit van een aardse werkelijkheid. Als Jezus deze Schriftplaats citeert in Markus 9:48 kan de uitdrukking geen betrekking hebben op een eeuwig brandend hellevuur. 

Tartaros
In de Bijbel wordt één maal de Tartaros met die naam aangeduid, in 2 Petrus 2:4.

TARTAROS

Zowel de SV als de HSV vertalen het woord ταρταρωσας 20] in 2 Petrus 2:4 met ‘in de hel geworpen’. In de context van 2 Petrus 2:4 is sprake is van engelen die gezondigd hebben 21]. Het Griekse woord ταρταρος geldt in het Nieuwe Testament en in de Joodse Apocalyptiek als de plaats van bestraffing voor de engelen die hun oorsprong ontrouw zijn geworden. Juist de brieven van Petrus naast de brief van Judas zijn sterk beïnvloed door de Joodse Apocalyptiek. In de orthodox-gereformeerde theologie wordt, bij het hanteren van deze tekst, geen onderscheid gemaakt tussen mensen en engelen en de tekst wordt dan ook makkelijk toegepast als bewijstekst voor het bestaan van de hel. In de Schrift echter is sprake van een duidelijk onderscheid tussen het oordeel over mensen en het oordeel over engelen. Zo worden uiteindelijk de dood en het dodenrijk, de sheol/hades, geworpen in de poel van vuur en zwavel (Openb 20:14). Maar de Tartaros 20], de plaats van de engelen die hun oorsprong ontrouw waren (Judas 6; 2 Petrus 2:4 22]) wordt in dit verband niet genoemd. 

Exegese van de overige ‘hel-teksten’ in de bijbel
Jezus heeft diverse uitspraken gedaan die in de orthodoxe theologie worden geïnterpreteerd als uitspraken over de hel. Maar ook in het Oude Testament staat een passage die sterk doet denken aan de diverse uitspraken van Jezus:

  • Daniël 12:2 > Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading , tot eeuwig afgrijzen.
  • Markus 9:47-48 > En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat , dan dat gij met twee ogen in de gehenna geworpen wordt. Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust (vgl Markus 9:44, 46).
  • Matth 18:8 > Indien uw hand of uw voet  u tot zonde verleidt, houw hem af en werp hem weg . het is beter voor u verminkt en kreupel ten leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.
  • Matth 9:11-12 > Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen. Maar de kinderen van het Koninkrijk  zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars (vgl Matth 22:13; 25:30).
  • Matth 25:46 > En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.

Wat direct opvalt is dat al deze teksten in de context staan van het Messiaanse Rijk. ‘Het eeuwige leven’, ‘het Aeonische leven’ of ‘het leven van de (toekomende) Eeuw’ zijn uitdrukkingen die dezelfde betekenis hebben als de Joodse verwachting van het Messiaanse Rijk op aarde 23]. Daar ligt tevens de kern van de discussie. De orthodoxe theologie, ook de gereformeerde variant staat in de katholieke traditie, die in de lijn ligt van Augustinus’ opvattingen over het Rijk van God 24]. In die lijn wordt met het eeuwige leven een hemels leven aangeduid dat direct na het sterven aanvangt en gecontinueerd wordt na de opstanding 25]. Het Bijbelse begrip dat in vertalingen doorgaans wordt weergegeven met ‘het eeuwige leven’ wordt sinds Augustinus dus anders uitgelegd dan voorheen het geval was 26]. Parallel met de uitdrukking ‘het Aeonische leven’ staat in Matth 25:46 de notie van ‘de aeonische straf’. Augustinus leerde een eeuwige straf in de letterlijke zin zoals de traditionele vertaling ‘eeuwige straf’ van Matth 25:46 luidt. Een belangrijk argument was daarbij dat als de straf slechts een tijdelijk karakter zou dragen dat ook moet gelden voor het eeuwige leven 27]. Voor degenen die weten dat ‘het aeonische leven’ een andere uitdrukking is voor het Messiaanse Rijk op aarde vormt de constatering van het tijdelijke karakter van het Messiaanse rijk geen enkel probleem 28]. De regering van de Messias zal duren tot in de laatste aeon. En ook dankzij 1 Kor 15:24 weten we dat aan de regering van de Messias een einde zal komen 29]. Openb 14:11, 19:3 en 20:10, hebben in het kader van het oordeel in de vuurpoel de uitdrukking εις [τους] αιωνας [των] αιωνων letterlijk: tot in de eeuwen der eeuwen’, maar de NBG51 vertaalt traditioneel met ‘in alle eeuwigheden’ evenzo SV, HSV en NBV met ‘in (alle) eeuwigheid’. Wie niet weet dat ook de bijbel leert dat aan de aardse tijdsindeling van de aeonen (Rom 16:25; 2 Tim 1:9) een einde (1 Kor 1:10) komt wordt met dergelijke slordige vertalingen totaal op het verkeerde been gezet. Vooral sinds de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) die verwijzingen naar de aeonen of traditioneel vertaalt of weg parafraseert.

Samenvatting
Samenvattend wijken ISA, Schriftwoord en de NBV het verst af van de dogmatische vertaaltraditie, omdat Gehenna in die weergaven terecht niet meer met hel vertaald wordt. De NBG51 had voor Gehenna nog ‘hel’ terwijl in de NBV het woord onvertaald wordt weergegeven, evenals ISA en Schriftwoord, waar het woord bovendien éénmaal met aionische vuur werd weergegeven. Een uitdrukking die uitleg nodig heeft: het betreft het oordelende, louterende vuur 30] van de tweede dood, dat zal branden gedurende de laatste aeonen van de wereldgeschiedenis, voorafgaande aan de situatie waarin God alles zal zijn in allen (1 Kor 15:28) 31]. Het begrip afgrond 32] is wel geschikt om als vertaalwoord te dienen voor Tartaros (NBG51 en Naardense Bijbel). De WV95 heeft het woord afgrond éénmaal (in Job 7:9) als vertaalwoord voor she’ol terwijl die bijbelvertaling overigens  vrij consequent (40x) dodenrijk heeft. De sterkste neiging om de Tartaros te vereenzelvigen met She’ol / Hades en Gehenna zien we bij de SV en de HSV. 

“… neergedaald in de hel”
Zowel op goede vrijdag als op de zondag daaraan voorafgaand is tijdens kerkdiensten die ik meemaakte de hel benoemd in de preek. Daarmee is in mijn waarneming gedurende de lijdenstijd in dit kerkelijke jaar meer – en dat wil ook zeggen in meer geladen zin – over de hel gepreekt dan in voorafgaande jaren. De laatste zondag voor goede vrijdag ging de preek tijdens de morgendienst over 1 Petrus 3:18-20 33]. Op goede vrijdag was de preek naar aanleiding van Joh 19:28-30 34]. In beide preken werd de link gelegd met een passage in de Apostolische geloofsbelijdenis: ‘die gekruisigd is, gestorven, begraven, neergedaald in de hel…’. In beide diensten werd de afdaling in de hel niet geïnterpreteerd in de chronologische betekenis, die voortvloeit uit de volgorde in het Apostolicum. Beide predikanten, de één meer de ander minder, volgden de interpretatie van Calvijn 35]. De uitleg van Calvijn is eigenlijk een herinterpretatie. Calvijn wist niet zoveel raad met Rooms Katholieke zienswijzen en de uitleg in de vroege kerk was voor hem ook lastig 36]. Jezus zou, gedurende de drie uren duisternis over het gehele land, de uren van het van God verlaten zijn, in de hel zijn geweest. De hel is in deze interpretatie geen locatie maar een toestand. Dit sluit dus niet aan bij de chronologie en de oorspronkelijke bedoeling van de passage binnen het Apostolicum. In de preek van prof. van den Brink was dit laatste niet echt duidelijk. Dat kwam omdat volgens Van den Brink de zienswijze van Calvijn 37] en die van 1 Petrus 3:18vv elkaar niet uitsluiten. Ook werd benoemd dat er in de kerk verschillen van inzicht bestaan als het gaat over de betekenis van 1 Petrus 3:18-20 38. Dat laatste is mijns inziens een meer eerlijke benadering omdat hieruit volgt dat er wel degelijk sprake is van elkaar uitsluitende opvattingen. In de Calvinistische interpretatie maakt de neerdaling in de hel deel uit van het lijden terwijl het in de klassieke betekenis een zegetocht is. Deze interpretaties zijn op geen enkele manier met elkaar in harmonie te brengen 39]

De hel in de preek
Binnen rechtzinnige kerken en groepen 40] is sinds enkele jaren sprake van een trend waarbij de hel meer dan in het verleden als een bestaande realiteit wordt benadrukt 41].Daarbij is de verwijzing naar Jezus een populair argument geworden. Het heet dan: “juist Jezus sprak er het meest over” 42]De conclusie is dan dat de hel echt bestaat, dat er geen einde aan zal komen en dat ook wij, in navolging van Jezus, vaker deze donkere kant van het eindoordeel van God over de mensen zouden moeten benadrukken. Dat laatste is dan nodig uit bezorgdheid. Christenen zouden vanuit de wetenschap dat er een nooit eindigende hel bestaat niet-gelovigen moeten waarschuwen 43]. Als het om de uitspraken van Jezus gaat worden niet alleen de gehenna-uitspraken bedoeld maar ook passages waar de hades, het dodenrijk genoemd wordt. Of omschrijvingen die worden geïnterpreteerd als een spreken over de hel 44].  

drogreden
Het argument ‘Jezus sprak er het meest over’ roept vragen op. Er komt de suggestie in mee dat  uitspraken van Jezus, zoals die door enkele evangelisten zijn overgeleverd, meer autoriteit hebben in verhouding tot wat geschreven staat in andere delen van de bijbel, alleen omdat het uitspraken van Jezus zijn 45]. Jezus’ eigen woorden worden op die manier geïsoleerd van of uitgespeeld tegen Mozes en de profeten. Dit is in strijd met Jezus’ eigen pretentie (Lucas 16:29, 31; 24:27; 24:44) en het getuigenis van de Apostelen (Joh 1:46, Hand 26:22; 28:23). Daar komt bij dat Mozes en de profeten nooit hebben geschreven over een hel. Waarom zou Jezus dat dan wel hebben gedaan? Wel is in de Tenach veelvuldig sprake van de sheol (NT: hades), het dodenrijk. De sheol werd in die tijd echter allerminst gedacht in hel-achtige termen 46]. Die idee is pas veel later ontstaan. Ook Paulus en andere apostelen van wie geschriften in de bijbel zijn opgenomen houden zich ver van een theologie van de hel 47].

theologische escapes
Ds T. Schutte noemde in de boven genoemde preek tijdens de avonddienst op goede vrijdag in Breukelen de hel: “de enige plaats in de kosmos waar God niet is”. Binnen een monotheïstisch godsbeeld vormt een dergelijke uitspraak een groot probleem 48]. De idee echter leeft breed in modern orthodox gereformeerde kring 49]. Volgens prof. dr. J. Hoek is de hel “een niet door God geschapen werkelijkheid: de hel is er gekomen doordat de zonde er gekomen is” 50]. Hoek laat zodoende het bestaan en ontstaan van een hel afhangen van de keuze van de mens 51]. De zonde is dan iets waar God niet vooraf mee kan hebben gerekend. Het Evangelie devalueert zodoende tot een soort ‘plan-B’ om te redden wat er te redden valt, waarbij we ons kunnen afvragen of dat plan wel gaat lukken. Hoeveel plannen van God komen er nog als de mensen en de duivel zonder dat God er rekening mee kan houden dwars gaan liggen? God kan dus met succes gedwarsboomd worden door de vrije wil die mens en duivel krijgen toebedeeld in de modern gereformeerde orthodoxie en dat werkt niet echt mee als het gaat om vertrouwen te wekken in het welslagen van Gods plannen. Het klinkt alsof God er niets aan kan doen dat de wereld gaat zoals ze gaat en God kan er eigenlijk ook niets aan doen dat er zoiets als een hel bestaat 52]. God is niet meer de Almachtige die Hij nog niet zo lang geleden wel was in de orthodox gereformeerde theologie. Ook wordt de reikwijdte van goddelijke aanwezigheid in de Schepping beperkt door een deel van de Schepping van God los te denken. Dat stemt niet overeen met bijbelse uitspraken over bijvoorbeeld de she’ol zoals in Psalm 139:8 53].  Eigenlijk is de idee van een ‘gekozen hel’ aanleiding tot een soort hel-light variant. De hel lijkt op die manier minder aanstootgevend. Het vermoeden ontstaat zelfs dat het er wel uit te houden zal zijn omdat een leven zonder God op aarde nu eenmaal ook geen problemen oplevert. Maar daarmee gaat het verder: wie hier op aarde handig is met intriges en misleiding kan dat spelletje na het leven en geheel naar eigen inzicht voortzetten ten koste van hen die op aarde al mikpunt en slachtoffer waren. Met zijn onderscheiding van twee soorten mensen vergeet C.S. Lewis de slachtoffers in deze wereld.  Volgens gangbare orthodox-christelijke maatstaven behoort het overgrote deel van de holocaustslachtoffers eveneens tot de verdoemden. Zij geloofden immers niet in Jezus? In elk geval niet op de christelijke manier 54]! De consequentie van de hel-light variant is dat de meest gruwelijke misdadigers in het hiernamaals ongecontroleerd aan de top van de gevangenis-hiërarchie zullen staan. De hel-light variant is een vorm van theologisch cynisme omdat ze ten diepste gebaseerd is op onverschilligheid: een omkering van de bede in het Onze Vader; “uw wil geschiede!”. De klassieke hel was tenminste nog de ultieme strafplaats voor alle slechteriken zonder onderscheid en de grote schurken konden zwaarder straf tegemoetzien. Als er al een hel nodig is om tegemoet te komen aan de behoefte aan vergelding dan spreekt de klassieke hel meer tot de verbeelding dan hel-light. Ware het niet dat beide varianten gruwelijke karikaturen zijn van Gods rechtvaardigheid.   

de hel in de christelijke traditie
In de geloofsbelijdenis van Athanasius (295-373), aartsbisschop van Alexandrië, wordt het geloof in het bestaan van een hel als volgt benoemd:

‘En die het goede gedaan hebben, zullen in het eeuwige leven ingaan, maar die het kwade gedaan hebben in het eeuwige vuur. Dit is het katholieke geloof. Wie dit niet getrouw en vast gelooft, kan niet behouden worden 55].’

Het bestaan van de hel ligt dus vast in een klassieke belijdenis van de vroege kerk, al is dit onderdeel van de belijdenis pas in de vierde eeuw tot stand gekomen onder invloed dat het christendom staatsgodsdienst was geworden 56]. En pas in 589 werd de eeuwigheid van de hel expliciet als dogma vastgesteld 57]. Volgens Cyrillus van Jeruzalem (315-386) zullen zondaren een eeuwig lichaam ontvangen, geschikt om de pijnen van de zonde te verdragen, zodat het de mogelijkheid heeft eeuwig te branden in vuur zonder verteerd te worden 58]. Augustinus was dezelfde opvatting toegedaan en beriep zich daarbij zelfs op het bestaan van wormen die grote hitte kunnen verdragen in heetwaterbronnen 59. Overigens speelt de leer van de eeuwige straf in Augustinus’ werk een ondergeschikte rol. Zijn preken zijn vooral pastoraal van toon. Het lijkt er op dat hij deze leer speciaal heeft aangewend om de decadentie in het Romeinse Rijk te keren 60]. Sinds Augustinus heeft de kerk van het Westen de leer van de eeuwige straf geleerd alsof die leer overeenkomt met het oorspronkelijke inzicht van de kerk. Ook Augustinus zou er zo over gedacht hebben maar toen hij zelf deze leer verdedigde tegenover de “medelijdenden” 61] was hij er van doordrongen dat de meerderheid van de christenen de tegenovergestelde opvatting was toegedaan. In de Vroege Kerk was er sprake van een neiging tot alverzoening en in Augustinus dagen was die voorkeur er nog bij de meerderheid van de christenen. In Enchiridion namelijk verdedigt Augustinus de stelling dat ‘de dwaling zeer verbreid is’ 62]. Ook de tijdgenoot van Augustinus, Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel (ca 350-407)  heeft geschreven over de leer die Augustinus bestrijdt. Hij weet dat zijn leer hard is maar “het is nodig dit te zeggen, opdat wij niet in de hel komen” 63]

Conclusie
Deze leer van de hel maakt deel uit van de traditie waar de grote denominaties en kerkelijke stromingen in ons kerkelijk leven op zijn gebaseerd.  De meeste evangelisch / charismatische tradities maken daar ook deel van uit. Chronische geloofsonzekerheid heeft altijd te maken met de hel en met een karikatuur van de bijbelse notie van de uitverkiezing. Mijn ervaring is dat het vaak wordt ontkend en dat een drijfveer om te geloven, gerelateerd aan angst voor de hel meestal niet eerder erkend wordt dan tijdens de spijtfase.  De vervormingen van het Evangelie bepalen het godsbeeld. Het geloofsleven lijdt er zwaar onder en het stimuleert desinteresse als het gaat om bestuderen van de Schrift en missionair gemeenteleven onder die invloed is een fopspeen.

Maar er is hoop. Van de Beek analyseert dat het Corpus Christianum (de christelijke maatschappij) afbrokkelt 64]. Met die afbraak van de christelijke traditie komt het christendom van voor Augustinus terug. Dat christendom wordt gekenmerkt door een tendens naar alverzoening en dat zien we nu in toenemende mate gebeuren. 

————–

1. Het woord hel is ontleend aan de Germaanse mythologie. Hel was de heerseres van het gelijknamige dodenrijk dat een onverkwikkelijk schimmenrijk was, maar niet een plaats waar men voor zijn zonden werd gestraft. Die betekenis kreeg het pas in het christendom. Een klassieke beschrijving van de onderwereld vinden we in het eerste deel van de Divina commedia (inferno) van Dante. (Christelijke Encyclopedie, 2005, Kampen, dl II,  p771, auteur artikel: Vefie Poels).

2. Rechtzinnige theologen maken zich te makkelijk af van kritiek op de theologie van de hel zoals die functioneert in de orthodox gereformeerde schriftuitleg. Kritiek wordt vooral gezien als een aanval op het Schriftgezag. Deze blog heeft mede als doel aan te tonen dat deze beeldvorming niet strookt met de werkelijkheid en dat er bovendien bij het hanteren van Schrift en traditie veel willekeurig bijbelgebruik aanwezig is in het kader van modern orthodox gereformeerde opvattingen over het hiernamaals. De Schriftgegevens worden veelal gebruikt zonder rekening te houden met context en chronologie. Zo wordt de eindtijdelijke poel van vuur en zwavel (Openb 20:10, 14, 21:8) wel gezien als synoniem van Gehenna. In de hierna genoemde preek van ds. T. Schutte, Ede op goede vrijdag in Breukelen (zie noot 34) werd Jezus’ nederdaling in de hel geassocieerd met de tweede dood (Openb 2:11, 20:6, 14, 21:8). Een uitdrukking die onlosmakelijk verbonden is met de poel van vuur en zwavel welke nergens elders in de Schrift voorkomt, los van de chronologie in de Apocalyps.

3. Het maakt een groot verschil. Veel gelovigen lezen de bijbel alsof het een boek betreft dat recent als een oorspronkelijke Nederlandse uitgave is verschenen. Daar komt bij dat niet iedereen die op zondagmorgen naar de preek luistert ervan gediend is als de dominee de gelezen bijbelvertaling bekritiseert op onderdelen. Men ervaart dat als lastig, verwarrend en soms zelfs als eigenwijs: “de dominee denkt het beter te weten dan de bijbel”. In plaats van de noodzaak van vertaalkritiek uit te leggen hebben teveel predikanten zich bij de desinteresse van zogenoemde ‘eenvoudige gelovigen’ neergelegd en zodoende is een deel principieel ongeïnteresseerde kerkleden niet zelden de norm geworden op wie de preek wordt afgestemd. Dit is mede de oorzaak dat er in toenemende mate simplistisch en kinderachtig wordt gepreekt. Deze crisis van de preek doet zich vooral voor binnen de breedte van het modern orthodox gereformeerde deel van het Protestantisme. 

4. De leer van de onsterfelijke ziel wordt vooral gekoppeld aan uitspraken in het Nieuwe Testament. Bijvoorbeeld Matth 10:28. De tekst zelf spreekt die uitleg tegen omdat er wel degelijk sprake is van verderven van ziel en lichaam in Gehenna. De tekst kan alleen uitgelegd worden binnen de context van Jes 66:24 waar het over hetzelfde gaat als waar Jezus van sprak en waar geen sprake is van een hel maar van lijkverbranding.

5. Het is merkwaardig dat in de gelijkenis van de rijke man en Lazarus de familie van de rijke man volgens Abraham voldoende hebben aan Mozes en de profeten als bron van informatie over het hiernamaals. Dit naar aanleiding van het verzoek van de rijke man om zijn familie te waarschuwen. In Mozes en de profeten is geen sprake van informatie over een plaats van pijniging voor de goddelozen na hun dood. De gedachte als zodanig is zelfs tegenstrijdig met die in de Tenach. Wel spreken Mozes en de profeten over het doen van barmhartigheid. 

6. De Statenvertalers brengen geforceerd de scheiding van wegen aan in een kanttekening bij de geschiedenis van Saul in Endor, in 1 Sam 28:19. “Morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn”. De kanttekening die de SV hier geeft: “Te weten, bij de doden; dat is, gij zult dood zijn. Zie dergelijke manier van spreken 2 Sam. 12:23. Want dat men dit zou verstaan van in de hel te zijn, waar de duivelen zijn, zou op Jonathan en velen van de Israëlieten niet passen, die wel in den slag zijn dood gebleven, maar niet naar de ziel in de verdoemenis gevaren.”. Hier past dus de traditionele vertaling niet en dat zien de Statenvertalers als een geldig excuus om bij wijze van uitzondering de echte betekenis van het begrip dodenrijk te omschrijven.

7. Met zijn gelijkenissen openbaarde Jezus de geheimen van het Koninkrijk der hemelen (Matth 13:11). Jezus sprak in gelijkenissen omdat zijn onderwijs niet voor iedereen bestemd was. Wat de één moest weten moest voor de ander verborgen blijven (Matth 13:12-17).
De populaire visie op het doel van de gelijkenissen is dat Jezus dit genre hanteerde teneinde iets duidelijk te maken, zonder aanzien des persoons. Deze visie is tegenstrijdig met Jezus’ antwoord aan de discipelen op de vraag waarom hij sprak in gelijkenissen.  

8. Er zijn verklaringen die wel een integrale betekenis hechten aan de genoemde details binnen de structuur van het verhaal:

9. Het slot van de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester (Lukas 16:9) en de herkenbare identiteit van de rijke man op grond van zijn kleding (purper en fijn linnen) als priesterkleding. De gelijkenis van de rijke man was gericht tegen de geestelijke leiders van het volk.

10. Bijvoorbeeld bij Gen 37:35 “want ik zal rouwbedrijvende bij mijn zoon in het graf nederdalen” waar de SV als kanttekening bij vermeldt: “Het Hebr. woord betekent somtijds het graf gelijk hier en onder, Gen. 42:38, en Gen. 44:29,31; Ps. 6:6, en Ps. 16:10; Pred. 9:10; Jes. 38:18; idem allerlei grote diepten, of diepe, verborgen plaatsen; Job 26:6; Ps. 139:8; Amos 9:2; somtijds de hel, of plaats der verdoemden, gelijk Job 11:8; Spreuk. 15:11. Aldus kan het hier niet genomen worden; want Jakob geloofde het tegendeel van zijn zoon. Somtijds betekent het ook overgrote en uiterste benauwdheden, en het gevoel van Gods toorn, gelijk 1 Sam. 2:6; Ps. 18:6, en Ps. 86:13.”

11. Sje’ol is afgeleid van de stam sja’a, woest worden, verblind worden. Jezus hanteert dit beeld in Matth 11:23 / Lukas 10:15 met het oog op Kafarnaum.

12. De uitdrukking ‘dodenrijk’ impliceert niet dat de vertalingen, die dit woord hebben voor She’ol en Hades, tot stand zijn gekomen door de gedachte aan een onbewust ‘bestaan’. De Christelijke Encyclopaedie, (1925, Kampen, p630-1) leest in het Nieuwe Testament een voortgaande openbaring en zelfs denkt de auteur van het artikel (dr A. Noordtzij) bij Schriftplaatsen als Jes 14:9 en Ezech 32:27, waar toch onmiskenbaar sprake is van satire, aan een min of meer letterlijke betekenis. Het woord dodenrijk kan vanuit diverse religieuze achtergronden worden ingevuld.

13. Volgens F.W. Grosheide duidt het Nederlandse woord hel op de plaats van de verdoemden terwijl op de plaatsen waar de SV hel heeft soms het rijk van de doden bedoeld wordt. Grosheide trekt de conclusie dat de voorstelling in het NT een ietwat andere is dan de onze (Bijbelse encyclopaedie, 1950, Kampen, p205). Grosheide doelt met onze voorstelling op de orthodox gereformeerde voorstelling en het woord ietwat typeert de ambivalente houding onder orthodox gereformeerden bij het vertalen van Bijbelse grondwoorden die een dogmatisch standpunt raken.

14. (Matth 11:23; 16:18; Lukas 10:15; 16:23). De NBG 51 vertaling heeft hier altijd meer correct: ‘dodenrijk’, ook in Lukas 16:23. (Teksten volgens Alfred Schmoller, Handkonkordanz zum griechischen Neuen Testament, 1973, Stuttgart).

15. Zie noten 8 en 19.

16.  βασανος kan ook pijniging of marteling betekenen. Dat gebeurt dan in de context van een gerechtelijk onderzoek teneinde een bekentenis af te dwingen. Een dergelijke gruwelijke realiteit wijkt dan nog steeds af van de orthodox christelijke opvatting over de hel waarbij de pijnigingen nog slechts een doel in zichzelf dienen in de sfeer van een eindeloze wraak. Elk mens bezwijkt uiteindelijk onder een langdurige marteling. Wat niet gezegd kan worden van de intenties achter de hel volgens orthodox christelijk concept.

17. Het woord Gehenna komt voor in Matth 5:22, 29; 20:28; 18:9; 23:15, 33; Markus 9:43, 45, 47; Lucas 12:5; Jak 3:6. (Teksten volgens Alfred Schmoller, Handkonkordanz zum Griechischen Neuen Testament, 1973, Stuttgart).

18. Het dal van Ben Hinnom wordt door de profeet Jeremia ‘moorddal’ genoemd (Jer 7:32; 19:6). Het is de plaats waar de koningen Achaz en Manasse van Juda kinderoffers aan Moloch organiseerden (2 Kon 16:3; 21:6; 2 Kon 23:10; 2 Kron 28:3; 33:6). Volgens Jer 7:31-32 zal het dal een begraafplaats worden wegens gebrek aan plaats. In de context van Jer 7:29-34 is sprake van een Godsoordeel (vgl: Jes 66). JHWH distancieert zich fel van het verbranden van zonen en dochters in het vuur van Moloch: iets dergelijks is in het hart van JHWH niet opgekomen (Jer 7:31)! Deze profetie is er een van mededogen met de slachtoffers en staat in contrast met een wraakoefening van God als doel in zichzelf, doelgericht zonder willekeur en van eindeloosheid is geen sprake.

19. De naam Gehenna verwijst naar een vuuroordeel.  Dat geldt echter voor het hele gebied van de Jordaan en de aangrenzende zeeën (Meer van Galilea en Dode zee). Ook het dal van Ben Hinnom grenst via het Kedron-dal (Wadi-Nar = Vuurdal) aan de Dode Zee (vgl Openb 22;1-4 / Ezech 47:1-12). Bovendien vormt het hele Jordaandal samen met de Dode Zee via de Wadi Araba en de Golf van Akaba en de Rode Zee tot diep in Afrika de Grote Afrikaanse Slenk of de Grote Riftvalei. Jezus sprak in de gelijkenis van Lazarus en de Rijke man over een Grote Kloof! Dr. Ernest L. Martin schreef in 1981 een studie over de geologische samenhang van dit gebied in het licht van de bijbelse gegevens over Gehenna en de poel van vuur en zwavel.

20. In 2 Petrus 2:4 wordt het woord tartaros gebruikt in een werkwoordvorm:  ‘tartarosas’ = ‘in de afgrond geworpen’. Het Griekse woord tartaros geldt in het Nieuwe Testament en in de Joodse Apocalyptiek als de plaats van bestraffing voor de engelen die hun oorsprong ontrouw zijn geworden. vgl: 1 Henoch 20:2; Apoc.Ezra (Gr) 3:15; Pseudo Philo 60:3; Sib.Or I, 10, 119, 303; Test.Sal 6:3; Test.Abr 13:11). Volgens de oudste Griekse voorstellingen is de tartaros een duistere afgrond onder de hades, de plaats voor de oproerige Titanen. – vgl J.M.S. Baljon, Grieksch Theologisch woordenboek, hoofdzakelijk van de Oud-Christelijke letterkunde, Tweede deel, 1899, Utrecht, p880-1.

21. De genoemde passages in 1 en 2 Petrus sluiten naadloos aan met de Joodse apocalyptiek, met name de Henoch literatuur. De invloed van dergelijke literatuur in de Petrus brieven en de brief van Judas is een erkend gegeven, hoewel nog onbekend in de tijd van ontstaan van de Statenvertaling. Ook P.H.R. van Houwelingen verwijst bij 2 Petrus 2:4 naar de Henoch-traditie en hij benoemt de parallel met 1 Petrus 3:19-20. De parallel met deze laatste tekst heeft bij Van Houwelingen geleid tot heroverweging van de bedenkingen die hij op dit punt nog had in zijn dissertatie (P.H.R. van Houwelingen, 2 Petrus, Judas. Testament in tweevoud, 2002, Kampen, p60; De tweede trompet. De authenticiteit van de tweede brief van Petrus, dissertatie, 1988, Kampen, p167-8).

22. Hoek noemt beide passages in het kader van de beperkte speelruimte van de demonen onder Gods toelating. Als zodanig interpreteert hij beide teksten niet in de sfeer van de Joodse apocalyptiek waarin ze wel staan. Hoek ziet deze teksten in verband staan met de duizendjarige binding, zoals die sinds Augustinus wordt geïnterpreteerd. (Hoop op God, 2004, Zoetermeer, p195). Hoeks eschatologie is sterk verbonden met de traditie van het corpus christianum.

23. Volgens F. de Graaff heeft het bijbelse begrip “eeuwige leven” een verandering van betekenis ondergaan. Onder invloed van het Platonisme en de mysterie-godsdiensten kwam er belangstelling voor de idee van de onsterfelijkheid van de ziel. Dat overchaduwde de bijbelse verwachting van de wederopstanding van het vlees. Het verlangen naar een vernieuwde aarde werd hoe langer hoe meer als een zinnelijke Joodse wens beschouwd, mede door toedoen van de gnostiek die verachting van de aarde leerde. (F. de Graaff, Als goden sterven, 1970, Rotterdam, p108). 

24. Volgens Augustinus is in de Kerk het Rijk Gods op aarde gekomen. De heerschappij van de Kerk op aarde is ‘het duizendjarig Rijk’ uit de Apocalyps. Wie zich bij dit Rijk voegt is gered. (Augustinus, De Civitate Deï, XX, 7; F. de Graaff, Als goden sterven, 1970, Rotterdam, p117-8) 

25. De leer van de tussentoestand houdt in dat in de tijd tussen sterven en opstanding de in Christus ontslapen mens zaligheid geniet terwijl de niet in Christus ontslapen mens rampzaligheid ondervindt. Echter, beide toestanden zijn voorlopig, in afwachting van volledige zaligheid of rampzaligheid na de opstanding (B. Telder, Sterven… waarom? 1963, Kampen, p75). A. van de Beek ziet een ontwikkeling in de Katholieke toekomstverwachting. Zo veronderstelt de leer van het vagevuur een voorlopige bestemming. De voorlopigheid wordt door Van de Beek ‘verdubbeling van het Eschaton‘, verdubbeling van de toekomstverwachting, genoemd. Zo noemt hij de leer van het duizendjarig Rijk eveneens een verdubbeling van de toekomstverwachting omdat de situatie van het millennium een voorlopige verwachting is. De leer van het vagevuur wordt in de Middeleeuwen steeds meer uitgebreid. Hetzelfde gebeurt met de beeldvorming over de hel en de hemel. Deze ontwikkeling culmineert in het driedelige werk van Dante over het paradijs, het purgatorium en de hel. Op dat moment is er geen sprake meer van de ‘vroeg-kerkelijke tendens naar alverzoening’ met een louteringsvuur als tussenfase. Die heeft plaatsgemaakt voor een spreken over de hel zonder enige terughoudendheid. De leer van een duizendjarig Rijk wordt uiteindelijk ervaren als een hindernis omdat ook de gelukzaligheid van de hemel optimaal wordt beschreven. (Dr. A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p102). Een opstanding uit de doden was voor de gelovige in de  Middeleeuwen niet voorstelbaar omdat het niet kenbaar was in de simpele ervaring van de aardse werkelijkheid (p86). De voorstelbaarheid van de verwachting kreeg voorrang boven concrete, materiële invulling van de toekomstverwachting. Het laatste geldt in de theologie als naïef ook al beseft men dat het wel aansluit bij de realiteit van het geloof (p87). 

26. Ook deze voorkeur in de theologie heeft te maken met voorstelbaarheid. De bijbelse toekomstverwachting wordt gereduceerd. De aarde heeft  volgens deze theologische voorstelling geen toekomst. Wel wordt vaker dan voorheen gesproken van een ‘nieuwe aarde’  maar van een continuïteit met deze oude aarde lijkt geen sprake. ‘nieuwe aarde’ functioneert als een synoniem voor ‘hemel’. 

27. Dit argument is herkenbaar omdat het hardnekkig wordt herhaald in debatten tussen vertegenwoordigers van de klassieke kerkleer aan de ene kant en verdedigers van de apokatastasis pantoon, de wederoprichting van alle dingen, aan de andere kant. De voorlopigheid van het duizendjarig Rijk is voor theologen moeilijk voorstelbaar (zie noot 25).

28. Het is merkwaardig dat W.J. Ouweneel, eveneens een belijder van een voorlopig Messiaans Rijk, dit Augustiniaanse argument hanteert (W.J. Ouweneel, Dogmatische reeks, Dl X. De toekomst van God. Ontwerp van een eschatologie, 2012, Heerenveen, p579). Inderdaad is in Matth 25:46 ‘de eeuwige straf’ net zo min eeuwig als ‘het eeuwige leven’.

29. W.J. Ouweneel bevestigt dat aan de aardse heerschappij van Christus een einde komt, op grond van 1 Kor 15:24-28. Niettemin spreekt Ouweneel van een eeuwige regering door Christus als ‘God de Zoon’. (W.J. Ouweneel, Dogmatische reeks, Dl X. De toekomst van God. Ontwerp van een eschatologie, 2012, Heerenveen, p567, 366).

30. “Het kwaad moet tenslotte met vuur uitgebrand worden” (Origenes, De Principiis, II, 10.6; I, 1,2; Ignatius, Brief aan de Efeziers 16)

31. Openb 21-22 geeft geen beschrijving van die situatie.In 22:2 is sprake van een proces van wederoprichting (genezing). 

32. Zie noot 20

33. Kerkomroep:  24 maart 2013, morgendienst. Predikant: Prof. dr. G. van den Brink, Woerden. Na verloop van tijd verdwijnt de preek uit de lijst. Kan dan op aanvraag door mij worden toegezonden via email.

34. Kerkomroep: 29 maart 2013, goede vrijdag. Predikant: ds. T. Schutte, legerpredikant in Ede. Na verloop van tijd verdwijnt de preek uit de lijst. Kan dan op aanvraag door mij worden toegezonden via email.

35. Volgens M.J. Arntzen heeft ook Thomas van Aquino nooit de gedachte losgelaten dat Christus niet alleen de tijdelijke maar ook de eeuwige dood heeft gedragen. Ook bij Luther zijn ‘Calvinistische’ trekken te vinden als het gaat om Christus’ neerdalen in de hel. “De volgelingen van Calvijn hebben bij de uitleg van deze passage  er meer de nadruk op gelegd dat Jezus echt in de staat des doods is geweest: bij en met de doden, in het rijk der doden”. (Christus’ nederdaling ter helle, 2000, Amsterdam, p.18). 

36. Volgens H. Berkhof heeft Calvijn de belijdenis van de nederdaling in de hel ontmythologiseerd door het op Jezus’ godverlatenheid aan het kruis te betrekken – Inst II 16, 8-12. (Christelijk geloof, 1973, Nijkerk, p323  – 3e druk). Volgens M.J. Arntzen heeft Calvijn er niet de nadruk op willen leggen dat Jezus werkelijk in de staat des doods heeft verkeerd en de smaad van de dood heeft gedragen. Daarbij komt dat Calvijn niets wilde weten van een plaatselijke afdaling van Jezus in het dodenrijk om de vromen van de oude bedeling te bevrijden (Christus’ nederdaling ter helle, 2000, Amsterdam, p17). 

37. Van den Brink noemde hier de Heidelbergse Catechismus die aansluit bij de opvatting van Calvijn: “Jezus is in de hel geweest opdat wij er niet hoeven komen”.

38. P.H.R. van Houwelingen betrekt 1 Petrus 3:18-20 op de hemelvaart  van Christus. ‘Het heengaan van Christus (πορευτεις) valt samen in de tijd met de onderwerping van vijandelijke machten (υποθαγεντων), en bereikt zijn hoogtepunt wanneer Christus plaatsneemt aan Gods rechterhand. Toen Hij de ereplaats had ingenomen lagen de vijanden aan zijn voeten … (Psalm 110:1; Matth 22:44; Hand 2:34-35).’ (1 Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, 2005, Kampen, p144). Joh 14:2 geeft een vergelijkbaar heilsperspectief in de verklaring van F. de Graaff. “In het huis van Mijn Vader zijn vele verblijven, maar indien niet, zou ik u gezegd hebben: Ik breek door om plaats voor u te bereiden” (vert. F.d.G.). ‘Ik breek door’ is de vertaling van πορευωμαι, het zelfde woord dat in 1 Petrus 3:19 vertaald wordt met ‘heengaan’. De Graaff ziet in deze woorden een doorbreken naar alle gebieden van de wereld en de schepping. ‘Die tocht is een nederdalen vanuit de hemelen op de aarde. Wat Jezus nu gaat doen is slechts een voortzetting van de vleeswording, de incarnatie, Hij is gekomen op de aarde, maar Hij gaat ook de diepste delen der wereld bezoeken. Het feit, dat de Thorah vlees is geworden brengt het aardse vlees weer in het ritme van de wijsheid Gods. Nu daalt de Thorah in de duistere gebieden van de hades en van de dood. Hier baant Hij de weg, trekt Hij het spoor van leven. Dan stijgt Hij op om alle hemelen door te gaan. Zo verbindt Hij het dodenrijk en de aarde met de hemel. Als dit geschiedt keert Hij terug als overwinnaar in het dodenrijk en daarna op de Paasmorgen op aarde’ (F. de Graaff, Jezus de Verborgene 1, 1987, Kampen, p421).

39. Calvijn identificeert de geesten in de gevangenis met de gestorven vromen in het algemeen en verbindt 1 Petrus 3:19 met 1 Petrus 4:6 en negeert daarbij de tijdsaanduiding in de context: ‘in de dagen van Noach’ ( vs 20). (Calvijn, Calvijnarchief 1.o, Commentaar 1 Petrus, p71-4) De uitleg van Calvijn kan niet een serieuze poging tot uitleg van deze passage worden genoemd.

40. Met name de kerken en stromingen die zich rekenen tot de gereformeerde orthodoxie (GB/CV in de PKN; CGK; GKV en NGK). Ook in de diverse evangelische groepen is sprake van meer aandacht voor de hel. Bij de bevindelijk gereformeerden is door de tijd heen de hel niet weggeweest uit de preek.

41. Volgens Van de Beek hangt dit samen met het verval van het corpus christianum, het christendom als staatsgodsdienst. “De staatsgodsdienst maakte het preken over de hel noodzakelijk omdat veel mensen waren toegetreden tot het christendom omdat men anders niet meer meetelde. Bij het verval van de staatsgodsdienst spreekt het vanzelf dat preken over de hel minder vanzelfsprekend wordt”. (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p103-4).
Er lijkt nu sprake van een reactie die een gevolg is van de ontkenning van het bestaan van een hel door een steeds grotere groep gelovigen, niet alleen de meer vrijzinnige maar ook een groeiende groep binnen de rechtzinnige stromingen van het christendom. “De hel ligt meer dan ooit onder vuur” schrijft J. Hoek in een pleidooi voor de leer van de twee wegen. (Hoop op God. Eschatologische verwachting, 2004, Zoetermeer, p240). Het verschijnsel wordt gezien als een bedreiging van het gezag van de ware leer. Historisch gezien is het nog maar de vraag of de hel meer dan ooit onder vuur ligt. In de tijd van Augustinus geloofden veel christenen een of andere vorm van alverzoening (zie noot 61). Dat deze tijd terug komt stemt overeen met de eerder genoemde analyse van Van de Beek inzake het verval van het corpus christianum. 

42. Dit argument wordt opgevoerd door Ajith Fernando in Belangrijke vragen over de hel (1998, Apeldoorn, p.127-142).  Ook J. Hoek doet een beroep op de autoriteit van Jezus in zijn boek Voorbij de dood (1996, Zoetermeer, p66-7) als hij K. Schilder citeert: ‘Wie de hemel van Gods liefde van Jezus aanneemt, die gelove ook op zijn gezag de hel en Gods toorn’ (K. Schilder, Wat is de hel?). Francis Chan roept op om het eigen beeld over de hel te corrigeren aan de hand van wat Jezus er over gezegd heeft (Bestaat de hel? 2011, Heerenveen, p.42-3). Het is vooral een populair argument onder behoudende kerkgangers, die voorstander zijn van meer hel in de prediking. Een dergelijke opvatting vindt een voedingsbodem in een niet contextuele lezing van de betreffende uitspraken van Jezus.

43. Men gaat er dan aan voorbij dat nergens in het Nieuwe Testament de hel een motief vormt tot missionaire activiteiten. Ook lezen we nergens bij Paulus over bezorgde vragen van gelovigen die willen weten hoe dat nu zit met in ongeloof gestorven familieleden. De enige mogelijke conclusie is dat het probleem zoals wij dat kennen, in die tijd niet bestond. Tot een dergelijke conclusie kwam ook de zeventiende eeuwse predikant Dirk Rafaëlszn Camphuysen (1586-1627) in een brief die hij schreef in 1620. Camphuysen weigerde de Dordtse Leerregels te ondertekenen en wees de leer van de leer van de eeuwige straf af. Als hij geschreven  heeft over de twijfel en vrees waarmee vrome mensen gekweld worden voegt hij er aan toe: ‘is het niet merkwaardig, dat men in de Bijbel niets vindt van dergelijke angsten?’ (Jan Bonda, Het ene doel van God, een antwoord op de leer van de eeuwige straf, 1993, Baarn, p39-40). In de nasleep van de Dordtse Synode vreesde Camphuysen geloofs-, gewetensdwang, die ontstaat waar de ene mens zich een oordeel aanmatigt over de correctheid van de geloofsbeleving van een ander. „Wat heb je daaraan? Wie doe je er een plezier mee? Wat is ermee gewonnen?,” zo schreef hij in zijn ‘Waerschouwinghe’ van 1620. Camphuysen waarschuwde tegen het formuleren van een gemeenschappelijke belijdenis, omdat hij vreesde dat daarvan een normerende, voorschrijvende werking zou uitgaan, en dat was wel het laatste dat hij, die zich als martelaar voor de godsdienstvrijheid beschouwde, zou wensen. (Dr Johannes Tromp op 12 maart 2005 tijdens de Algemene Vergadering van Beraad van de Remonstrantse Broederschap in Reden en rechtvaardiging van gemeenschappelijk belijden, naar aanleiding van Wij geloven – wat geloven wij?)

44. J. Hoek noemt in dit verband ‘de worm die niet sterft en het vuur dat niet uitgeblust wordt.’ (Voorbij de dood, 1996, Zoetermeer, p67). Maar in werkelijkheid citeert Jezus Jesaja 66:24 in Markus 9:44, 46, 48, waar getuige de context geen sprake is van een hel-achtige omgeving, maar van verbranding van lijken in het dal van Ben Hinnom bij Jeruzalem. Een andere uitspraak van Jezus staat in Matth 8:12, 22:13 en 25:30 over het geween en tandengeknars in de buitenste duisternis.

45. Jezus heeft geen eigen geschriften nagelaten. De evangelisten hebben ook geen letterlijke citaten gegeven van wat Jezus precies gezegd heeft. Er zijn significante verschillen tussen de diverse Evangeliën. 

46. Volgens de Tenach is in de She’ol geen sprake van herinnering en kennis (Psalm 6:6; Pred 9:10).

47. Vier keer komt de uitdrukking voor: ‘… het Koninkrijk Gods niet beërven’ (1 Kor 6:9, 10, 15:50, Gal 5:21). Maar ook hier gaat het niet over een eeuwige straf. De uitdrukking niet beërven sluit andere scenario’s naast een eeuwige straf niet uit. Judas schrijft over de steden Sodom en Gomorra, die tot voorbeeld zijn gesteld onder een straf van eeuwig vuur. Dat ook hier geen sprake kan zijn van een hel blijkt wel wel daaruit dat hier sprake is van een tot voorbeeld gesteld zijn [ προκεινται δειγμα πυρος αιωνιου ]. Dat impliceert een zichtbaar teken en de sporen van de brand zijn inderdaad nog steeds zichtbaar in het gebied tussen Massada en de Dode Zee.

48. Elk antwoord dat de pretentie heeft een theologisch antwoord te zijn, terwijl de ultieme duisternis in de schepping niet in relatie wordt gebracht met God, is een dualistisch schijnantwoord. Een antwoord op de vraag naar de herkomst van het kwaad in relatie tot de almacht van God heet in de godsdienstwetenschap een theodicee. Het woord theodicee is samengesteld uit twee Griekse woorden: theos en dikè, welke respectievelijk God en recht betekenen. Een theodicee is dus een redenering waarin de rol van God ten opzichte van het bestaan van het kwaad in de onvolmaakte schepping gerechtvaardigd wordt. Het woord schijnt een zinspeling te bevatten op een passage van Paulus in zijn brief aan de Romeinen (Rom 3:5-6). Paulus vraagt zich af of het soms onrechtvaardig van God is zijn toorn te laten voelen. ‘Volstrekt niet’ zegt Paulus. ‘Hoe zal God anders de wereld oordelen?’ (A.H. van Veluw, Waar komt het kwaad vandaan? Over God, schepping en evolutie en de oorsprong van het kwaad, 2010, Heerenveen, p23). Volgens de redenering van Paulus heeft God ondanks het bestaan van het kwaad de lijntjes strak in handen: In Rom 9:16-23 herleidt Paulus het kwaad dat Farao de Israëlieten aandeed inderdaad tot God. Paulus betoogt dat God Farao verhardt teneinde Zijn rechtvaardigheid te tonen. Gods rechtvaardigheid is dus uiteindelijk een voor mensen kenbare eigenschap van God.

49. Er zijn in de praktijk maar weinig christenen die de consequente vraag stellen hoe God tevreden kan zijn met een uiteindelijke werkelijkheid waarin het kwaad nog steeds een plaats zal hebben. Dit sluit aan bij de de idee waarin Gods plannen met zijn schepping voorgesteld worden als een oplossing in een dilemma. Het dilemma is er door toedoen van de zondeval waar God niet op zou hebben gerekend. Vgl. IZB uitgave: René van Loon, Oriëntatiecursus Christelijk Geloof. Dl 1″ de christelijke boodschap, par. 10 “Gods dilemma”. Het evangelie wordt hier voorgesteld als een plan waarmee God gaat redden wat er nog te redden valt.

50. Dr. J. Hoek. Voorbij de dood; p65. Zoetermeer, 199:6

51. Dit concept is gebaseerd op een uitspraak van C.S. Lewis: “Ten slotte zijn er maar twee soorten mensen: zij die tot God zeggen: ‘Uw wil geschiede’ en zij tot wie God uiteindelijk zegt: ‘uw wil geschiede.’ Allen die in de hel zijn, hebben dat zelf gekozen. Zonder die eigen keus zou er geen hel kunnen zijn. Geen ziel die oprecht en standvastig de vreugde begeert zal haar ontberen.” (Het probleem van het lijden, 2001, Kampen, p116; De grote scheiding, 1998, Baarn, p79) 

52. In de bijbel is de Satan geen zelfstandige macht. Hij kan niet los van Gods wil handelen. Hij vervult zijn functie in dienst van God. (Bert van Veluw, De satan een noodzakelijk kwaad, 2012, Heerenveen, p50-1)

53. In de Statenvertaling is het sterk afhankelijk van degene over wie het gaat als het woord Sheol vertaalt wordt met hel of graf. Als Jakob denkt dat hij van verdriet in de Sheol zal afdalen (Gen 42:38) dan vertaalt de SV het woord sheol met ‘graf’. Als Korach en de zijnen levend naar de sheol afdalen dan is dan wordt volgens de SV de hel bedoeld. Het gebeurt dus niet helemaal consequent binnen het vertaalkader van de statenvertalers, ook niet als de SV (eveneens de HSV) in Psalm 139:8 sheol vertaalt met ‘hel’. David geldt immers evenals Jakob als een vrome man dus waarom zou David aan de hel gedacht hebben als plaats waarheen hij zou kunnen vluchten? 

54. Naar aanleiding van een publicatie van Bart Repko is er in de evangelische wereld onrust ontstaan. Volgens Repko heeft de eeuwige hel zijn langste tijd gehad. Op http://www.habakuk.nu schreef Gertjan de Jong een blog met het veelzeggende opschrift hellekunde. Het lijkt er op dat nadenken over dit thema niet bijzonder op prijs wordt gesteld, hetgeen Repko al in de titel van zijn boek heeft laten zien: “Kom niet aan de hel”. De Jong beweert dat hij christenen nooit heeft horen zeggen dat ‘veel joden linea recta naar de hel gaan’. Repko echter stelt een reële christologische vraag aan de orde in het kader van de Joden die omgekomen zijn tijdens de Holocaust. Op de vraag of deze Joden van de ene hel in de andere gekomen zijn, rust blijkbaar nog steeds een taboe. De Jong brengt het niet verder dan een oproep om niet op de rechterstoel van God te gaan zitten en citeert daarbij dankbaar Feike ter Velde. Maar dat is geen antwoord op de vraag die Bart Repko de orthodox christelijke wereld voorhoudt. Sinds wanneer mogen dergelijke vragen niet bijbels en met het oog op de theologische consequenties worden doordacht?

55. Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland. Ingeleid door dr. Klaas Zwanepol.  Athanasius: 39, 2004, Zoetermeer/Heerenveen, p20.

56. In de vroege kerk wordt na de nieuwtestamentische tijd tot de vierde eeuw weinig over de hel gesproken. De eschatologie was volledig geconcentreerd op de vraag van de opstanding van het lichaam. Dat wil zeggen dat voorstellingen over het lot na de dood van hen die niet gelovig of goed zijn geweest geheel ontbreken. (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p96).

57. Origenes die de eeuwigdurende hel afwees op theologische gronden, werd driehonderd jaar na zijn dood alsnog veroordeeld als ketter. (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p103) Sindsdien speelde de leer van de apokatastasis (wederoprichting van alle dingen) nog slechts een rol in nevenstromingen van de kerk zoals griekse patres, middeleeuwse ketters, in nevenstromingen van de Reformatie, in het Piëtisme en diverse personen zoals Oetinger, Schleiermacher, F.D. Maurice, Chr. Blumhardt, en Ph. Kohnstamm, maar de motieven van de voorstanders lopen vaak zeer uiteen. Ook Karl Barth kan tot de voorstanders worden gerekend vanwege zijn geloof in de overmacht van de genade maar ontkent deze positie omdat hij geen systeem wil maken van de genade – KD II,2,p462 en IV, 3, p550. (H. Berkhof, Christelijk geloof, 1973, Nijkerk, p555-6)

58. J. Hoek, Hoop op God. Eschatologische verwachting, 2004, Zoetermeer, p240. Hoek verwijst hier naar de Catechetische lezing XVIII, v,19, in Cathechetical lectures (Catechesis), transl. by Cauley and Stephenson 1969-1970.

59. Augustinus, De Civitate Deï, XXI, 2. 

60. Volgens F. de Graaff, Israël – Hellas – Rome, 1993, Zoetermeer, p521. Augustinus gebruikt de hel als waarschuwing. Het is niet de bedoeling dat we naar de hel gaan, maar dat we tot God onze toevlucht nemen (Augustinus, Sermo 55. Over Matth 5:22). De kerk was staatsgodsdienst geworden en dat had tot gevolg dat het min of meer vanzelfsprekend was geworden om christen te zijn. Na 380 telde je niet meer mee als je geen christen was. Als gevolg nam ook de hoge moraal van de christenen af en dat maakte het volgens Augustinus  noodzakelijk te preken over de hel (A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, 2008, Zoetermeer, p103).  

61. Augustinus kiest er voor de gevoelige christenen, de uitgaan van een tijdelijke straf, op vriendelijke toon (in een vreedzaam betoog) terecht te wijzen. In De Civitate Deï noemt hij hen ‘onze barmhartigen’. Augustinus gaat ervan uit dat de houding van de christenen die hij vermaant voortkomt uit menselijk medelijden; ‘maar zij dwalen zeer…’ Augustinus weet dat het woord eeuwig, zoals dat in de bijbel voorkomt geen oneindigheid hoeft aan te duiden. Hij verdedigt de eeuwige straf met de stelling dat het eeuwige leven ook niet altijd durend kan zijn als de straf dat ook niet is. (Augustinus, De civitate Deï, XXI, 17; Enchiridion, 112 [Hoofdstuk XXIX, The Last Things]) 

62. Augustinus, Enchiridion, 112 [Hoofdstuk XXIX, The Last Things]: “Dat sommigen, ja zelfs de meesten, de eeuwige straf der verdoemden en hun steeds zonder onderbreking voortdurende kwellingen uit menselijk gevoel bejammeren en niet geloven dat het zo zal zijn…”. Augustinus’ bestrijding heeft niet de toon alsof hij tekeer gaat tegen gevaarlijke ketters. Hij ziet zijn tegenstanders als beste mensen met een warm hart voor hun medemensen. Maar volgens Augustinus gaan zij teveel af op hun menselijk gevoel in plaats van dat ze de Schrift als uitgangspunt nemen. Overigens beroepen Augustinus’ opponenten zich op de Schrift, juist als het gaat om het menselijk gevoel.
Augustinus betoogt dan dat de barmhartigheid van God alleen bestemd is voor de voorwerpen van ontferming (Rom 9:23), de uitverkorenen. (Augustinus, De Civitate Deï, XXI, 17) 
De overtuiging van de kerk in Augustinus’ dagen is dat God de massa van de mensheid bestemd heeft tot een eindeloze pijniging (J. Bonda, Het ene doel van God, 1993, Baarn, p27) 

63. J. Bonda, Het ene doel van God, 1993, Baarn, p26-7.

64. zie noot 41

Geplaatst in Alverzoening, Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Hete hangijzers, Nieuwe Testament, Oude Testament | 3 reacties

Gereformeerde Bond blijft het opdragen van kinderen veroordelen

Ds. A.J. Mensink, de voorzitter van de Gereformeerde Bond veroordeelt in het nieuwste themanummer van de Waarheidsvriend 1] het opdragen van kinderen:

Opdragen?
Soms vragen ouders een kerkenraad hun kindje in een eredienst te mogen opdragen in plaats van dat hem of haar de heilige doop wordt bediend. Waarom gebeurt dat niet?

Het lijkt een dictaat, maar waarschijnlijk bedoelt ds. Mensink dat het in gereformeerdebonds-gemeenten niet gebeurt. Er zijn namelijk PKN-gemeenten waar helemaal niet moeilijk gedaan wordt over een dergelijke keuze van ouders.

Ds Mensink: “Ouders moeten zich realiseren dat het opdragen bijbels-theologisch nauwelijks te funderen is”.

De GB kan zich maar moeilijk inleven in andere opvattingen en blijft streng in de leer: “ouders moeten…”. Volgens sommige ouders valt de kinderdoop bijbels-theologisch nauwelijks te funderen. Het zijn theologische verlegenheden die binnen een gemeente niet verabsoluteerd mogen worden. Ouders vragen in een dergelijke situatie om ruimte voor hun inzicht binnen de gemeente. Niet minder maar ook niet meer.

Ds Mensink: “Een kerkenraad doet er goed aan te onderstrepen dat de Heere ook met dit kind zijn verbond heeft gesloten en dat de kerk in de kinderdoop vooral de bevestiging van Zijn ja belijdt. Daarna mag ons vrijmoedige ja klinken, als een belofte om ons kind voor deze rijke Verbondsgod groot te brengen”.

Ds Mensink weet als geen ander (hij heeft de kinderdoop heel speciaal bestudeerd) dat het verbond aan de doop voorafgaat. Volgens de gereformeerde opvatting wordt een kind gedoopt omdat het betreffende kind in het verbond begrepen is. Is het dan zo moeilijk om een op te dragen kind ook als zodanig te erkennen en het opdragen positief in te vullen en als een bevestiging te zien van Gods ja?

Ds Mensink: “Bij het opdragen ontbreek dit kader van het verbond en dus ook Gods genadige initiatief. Een opgedragen kind wordt slechts op het jawoord van de ouders teruggeworpen, een gedoopt kind op het jawoord van de Heere. Wie de kinderdoop inruilt voor opdragen, raakt daarmee dus de rijkdom van het leven uit het verbond kwijt.”

Pardon? Waarom laat ds Mensink het verbondskader afhangen van theologische verschilpunten en menselijke verlegenheid met een traditioneel gebruik binnen de gemeente? Staat God met Zijn ja daar dan niet boven? Hangt dit dan toch af van de aard van een ritueel of van een al of niet bijbels inzicht bij de ouders? Hoeveel bijgeloof is er niet geweest en is er wellicht nog steeds rond de kinderdoop? En dan was de Gereformeerde Bond nooit voorstander van het ontzeggen van die doop ook als ouders geen trouwe kerkgangers waren. Bij het opdragen van kinderen gaat het echter steevast over ouders die sterk betrokken zijn op de gemeente.

Ds Mensink: “Laat de gemeente haar kinderen dagelijks aan de Heere opdragen in de gebeden.”

Gelden dergelijke gebeden dan alleen de gedoopte kinderen en hooguit de niet-gedoopte kinderen van geboorteleden? 

————-

1. 2013, 7 maart nr 10.

Geplaatst in Bijbelse theologie, Hete hangijzers, Schrift en/of Belijden | 3 reacties