Job – Esther – Nehemia

 

Job – Esther – Nehemia (Leeshulp bijbeluitdaging 2015 Breukelen en Maarssen 1])

Nehemia 8-13
Esther
Job 1-15

Job – Esther – Nehemia <> Lijdensweg – Ballingschap – Hoop
De volgorde van de afzonderlijke boeken van de Tenach is in de meeste christelijke bijbels anders dan die in de Joodse, de Hebreeuwse bijbel 2]. Ik oriënteer me graag op de originele Hebreeuwse volgorde, die van Thorah, Profeten en Geschriften. De meeste christelijke bijbels hanteren een volgorde die gerelateerd is aan de chronologie van de geschiedenis van Israël. Deze historische focus is bepaald niet een gelukkige invalshoek bij de rangschikking van bijbelboeken 3] maar het is dan wel weer een gelukkige bijkomstigheid dat Esther, na Nehemia grenst aan het eerste boek binnen een reeks van vijf poëtische geschriften: Job, met daarop volgend de Psalmen, de Spreuken, de Prediker en het Hooglied. Dat brengt mij in de gelegenheid om Nehemia, Esther en Job op een oorspronkelijke manier met elkaar te verbinden. Daarbij komt het mij heel goed uit om de omgekeerde volgorde aan te houden: Job – Esther – Nehemia. ‘Heel toevallig’ ook de volgorde waarop ik die boeken aan het eind van de Hebreeuwse bijbel aantref, met andere boeken daar tussen. De trefwoorden die ik aan de combinatie Job – Esther – Nehemia meegeef zijn: Lijden, Ballingschap en Hoop.

De betekenis van Job in relatie tot de Messias van Israël
De meest voorkomende opvatting over het boek Job is dat het hier gaat om een literair geschrift in poëtische vorm zonder historische pretenties. Een soort parabel; een gelijkenis.
Dat er in en buiten het boek ook aanwijzingen voorkomen die een historische setting suggereren hoeft daar niet mee in strijd te zijn (22:16 – zondvloed? – Ezechiël 14:20 – Job als historische figuur?).
In het voordeel van een typologische strekking pleiten een aantal aanwijzingen in het boek zelf. In 1:10 is sprake van een beschermde positie van Job; Satan verwijt God dat Hij een ‘omtuining‘ rond Job heeft gemaakt. God zou Job geplaatst hebben in een bevoorrechte positie. Hoewel Satan hier een karikatuur maakt door de uitverkoren positie als comfortabel voor te stellen is hier toch zeker wel sprake van een duidelijke parallel met de positie van het volk Israël als uitverkoren volk tussen de andere volkeren.
Het zijn vooral Joodse exegeten die Job zien als een typologische figuur. In Job 1:6-12 is Satan de aanklager van Job terwijl hij elders in de Bijbel de aanklager is van het volk Israël (Openbaring 12:10) 4]. En als zodanig beproeft hij in het Evangelie ook Jezus (Mattheus 4:1vv). Maar de parallel met Jezus gaat nog veel verder. In het Joodse mystieke boek De Zohar is Job zelfs de zondebok die plaatsvervangend lijdt vanwege de zonde van het volk (Zohar II, 32b) 5]. Evenals Job niet losgemaakt kan worden van Israël als lijdende knecht staat veel later ook de missie van Jezus als lijdende knecht niet los van die van het Joodse volk waar hij deel van uitmaakt. Op dezelfde manier heeft de profetie van de lijdende knecht in Jesaja 53 primair betrekking op het lijden van het Joodse volk ten behoeve van de volkeren en uiteindelijk ook op het plaatsvervangend lijden van de Messias van Israël 6]. Ook de missie van de Joodse apostelen onder de volkeren bracht plaatsvervangend lijden met zich mee en Paulus zag ook dat lijden in het perspectief van het lijden van Jezus (Kolos 1:24) 7].

Job – lijden
Het onvoorstelbare van het Joodse lijden wordt in het boek Job zonder omhaal benoemd. Het steekt af tegen de goedkope troost die Job van de kant van zijn drie vrienden moet aanhoren.
Er is dan ook het protest in Job 6-7, dat hij laat horen aan het adres van zijn vrienden. Zelfs is er sprake van een heftig protest aan het adres van God zelf (Job 7:17-21).
Het laatste doet denken aan het indrukwekkende tribunaal dat gevangenen in Auschwitz organiseerden tegen God. Het verhaal is van Elie Wiesel. Getuigen verhaalden over de gruwelen van de wereld die God had geschapen, inclusief Auschwitz zelf. Er werd geredetwist over Gods verantwoordelijkheid voor die gruwelen. En uiteindelijk kwam het vonnis: God was schuldig op alle punten van de aanklacht. Het verhaal eindigt met het traditionele ochtendgebed. Iets wat we ook bij Job tegen komen: “Zie, hij wil mij doden, ik verwacht niets,- evenwel zal ik mijn wegen bij zijn aanschijn bepleiten! (Job 13:15, Naardense Bijbel)”. Of zoals een rabbijn het zei tijdens een herdenking in Westerbork: wij weten niet waarom u ons dit liet overkomen. Er rest ons niets anders dan uw grote Naam te loven.

Esther – ballingschap
De naam Esther betekent: ‘ik zal mij verbergen’. De enige plaats in de bijbel waar het woord Esther ook voorkomt is Deuteronomium 31:18. Het is daar vertaald met: ‘ik zal mij verbergen’. Deut. 31 gaat over de ballingschap van het volk. Het verhaal van Esther is bedoeld als ballingschapsverhaal dat ook de tekenen van de verlossing vertelt.
Esther houdt aanvankelijk haar afkomst verborgen. En ook lijkt God in dit Bijbelboek de grote afwezige. Nergens in dit boek komt het woord God voor 8]. Het gebeuren in Esther wordt ‘Purim’ genoemd. Dat wil zeggen: ‘via het lot’. Via het toeval! Niets wordt aan God gerelateerd hoewel zelfs een verstokte atheïst bij het lezen van het verhaal van Esther bijna aan God zou gaan denken. Dit gegeven, de verborgen God, is typerend voor de ballingschap. Het verhaal speelt zich af in Perzië. De tempel in Jeruzalem is verwoest en het volk is weggevoerd naar Babylon.
In Esther dreigt al het onheil dat in Deuteronomium 31 vermeld wordt werkelijkheid te worden. In die situatie verbergt Esther haar afkomst. En dan is er de Jood Mordechai. Hij is zichtbaar aanwezig in de poort. Hoewel deze merkwaardige figuur altijd alleen is. Iemand als Mordechai kan nu eenmaal niet anders dan alleen zijn. Mordechai is de verlosser die niet wordt gezien, niet wordt herkend. Mordechai is de wijze, de rechtvaardige; stil en bescheiden. Maar het kan niet anders of de jodenhater Haman herkent Mordechai wel. En dan komt de crisis! Als Haman een paal opricht om Mordechai aan op te hangen wordt hij vernederd. Heel toevallig (!) omdat de koning na een slapeloze nacht alsnog Mordechai wil belonen omdat deze ooit een staatsgreep had verijdelt. Dit is het begin van de val van Haman (Esther 6:13-14) die zal leiden tot de redding van de Joden en de verhoging van Mordechai (Esther 10).

Nehemia – hoop
In de boeken Ezra en Nehemia gaat het over de terugkeer van de Joden naar het land Israël. Vanaf Nehemia 8 heeft het onderricht in de Thorah door Ezra de Schriftgeleerde prioriteit. Het werk van Ezra en Nehemia zou je in dit opzicht een aanzet kunnen noemen tot het latere Farizeïsme. Het woord Farizeeër heeft bij ons een negatieve klank. Dat is echter ten onrechte. De Talmoedische wetspraktijk van de Farizeeën was, afhankelijk van de diversiteit die er in die groep bestond, min of meer formeel. Maar een belangrijk doel van de strengheid ervan was het voortbestaan van het Joodse volk in een tijd van politieke spanningen. Bovendien was het aantal teruggekeerden tijdens Ezra en Nehemia uiterst gering. Het hoofddoel van Ezra en Nehemia was een vrome trouw aan het verbond die alleen mogelijk was bij een trouwe naleving van de Thorah. De terugkeer naar het beloofde land was een teken van hoop met het oog op de verlossing. Zij het dat er sprake was van een getemperde hoop. Bang als men was voor overspannen verwachtingen die ook weer politieke spanningen konden veroorzaken. Dit was dan ook de reden waarom de Farizeeën uiterst terughoudend waren ten overstaan van Jezus, een Rabbi die veel aanhang had onder de nakomelingen van degenen die de ballingschap niet hadden meegemaakt: het deel van het volk dat dus geen Talmoedische wetbetrachting praktiseerde. In de optiek van de Farizeeën dus “het volk dat de wet niet kende” (Joh 7:49).

—————–

1. De bijbeluitdaging 2015 is een initiatief om in één jaar de hele bijbel door te lezen. Het project is gestart n.a.v. de verschijning van de Bijbel in Gewone Taal. Voor elke leesweek wordt een leeshulp geschreven. Deze leeshulp is door mij geschreven voor de leesgroep Maarssen en Breukelen.

2. Er is mij slechts één uitzondering bekend: de Naardense Bijbel hanteert voor de Tenach de volgorde van de hebreeuwse bijbel. Deze bijbel hanteert echter niet de oorspronkelijke volgorde van de geschriften van de boeken van het Nieuwe Testament.

Volgorde boeken Tenach
Thorah / Wet * Genesis – Exodus – Leviticus – Numeri – Deuteronomium
Nevi’im / Profeten * Jozua – Richteren – 1 Samuel – 2 Samuel – 1 Koningen – 2 Koningen – Jesaja – Jeremia – Ezechiël – Hosea – Joël – Amos – Obadja – Jona – Micha – Nahum – Habakuk – Sefanja – Haggai – Zacharia – Maleachi
Ketoevim / Geschriften * Psalmen – Spreuken – Job – Hooglied – Ruth – Klaagliederen – Prediker – Esther – Daniël – Ezra – Nehemia – 1 Kronieken – 2 Kronieken.

Oorspronkelijke volgorde boeken van het Nieuwe Testament
Jezus en de Apostelen * Mattheus – Markus – Lukas – Johannes – Handelingen
Brieven aan de besnijdenis * Jacobus – 1 Petrus – 2 Petrus – 1 Johannes – 2 Johannes – 3 Johannes – Judas.
Brieven van Paulus * Romeinen – 1 Corinthiërs – 2 Corinthiërs – Galaten – Efeziërs – Filippenzen – Kolossenzen –
1 Thessalonicenzen – 2 Thessalonicenzen – Hebreeën – 1 Timotheus – 2 Timotheus – Titus – Filemon.
Apocalyps * Apocalyps van Johannes.
[Bron: Novum Testamentum Graece – J.M.S. Baljon]

3. De volgorde van de Bijbelboeken in de christelijke canon kan zelfs funest genoemd worden voor het goed verstaan van de Schrift.

4. In Openb. 12 treedt Michaël op als verdediger van Israël. De vrouw in 12:1 staat voor Sion.
*De Pseudepigrafen, Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja. Vertaald, ingeleid en toegelicht door M. de Goeij, p93, n.a.v. IV Ezra 9:38-10:24]
*H. Strack und P. Billerbeck – Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Dritter Band, S812.

5. The Zohar, Volume III, p105, Edition The Soncino Press. translated by: Harry Sperling, Maurice Simon and Dr. Paul P. Levertoff

6. Een dergelijke visie is Joël Marcus toegedaan in Jezus en de Holocaust, bespiegelingen over lijden en hoop. 1998, Ten Have, hoofdstuk: de lijdende knecht.

7. Paulus geeft ook elders blijk van een visie op het plaatsvervangend lijden door israël, met4 name in II Corinthiërs 4:12,15 > Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u. Want het geschiedt alles om uwentwil, opdat de genade toeneme en door steeds meerderen overvloediger dank worde gebracht ter ere Gods.

8. Met name niet in de Hebreeuwse versie. De tekst van de Septuagint (LXX) is uitgebreider.

——-

LITERATUUR

Bijbeluitgaven
Baljon, J.M.S. – Novum Testamentum Graece – J.B. Wolters, 1898.
Naardense Bijbel – vertaler: ds. P. Oussoren – negende druk, dundrukeditie – Skandalon, 2014.

Judaïca
The Zohar – Editie Harry Sperling, Maurice Simon en Dr. Paul Levertoff – Soncino Press, 1970
Strack, Hermann L. / Billerbeck, Paul – Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Band III u IVb
Weinreb, F. – Ik die verborgen ben. Oude overleveringen vertellen van het geheim van het Esther-verhaal – De Ster, 1997.

Andere bronnen
Goeij, M. de – De Pseudepigrafen, Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja. Vertaald, ingeleid en toegelicht. Kok Kampen, 1980.
Graaff, Dr. F. de – Jezus de Verborgene. Een voorbereiding tot inwijding in de mysteriën van het evangelie – Kok Kampen 1987.
Marcus, Joel – Jezus en de Holocaust. Bespiegelingen over lijden en hoop – Ten Have 1989.
Ouweneel, Willem J. – Het Jobslijden van Israël. Israëls lijden oplichtend uit het boek Job. – Medema, 2000.

Geplaatst in Bijbelse theologie, Israël-debat, Nieuwe Testament, Oude Testament | Een reactie plaatsen

De vrijzinnige revolutie

Een blog waarin de geestelijke situatie binnen de PKN buitengewoon raak wordt getypeerd!

Koinonia - Christus belijden

De vrijzinnige revolutie is voltooid. Ook de oecumene is nu exclusief een aangelegenheid van vrijzinnigen geworden. Het evangelie is definitief naar het rijk van de “zingevingsverhalen” verwezen. We evangeliseren niet meer, omdat we de waarheid niet hebben. We nemen de theologie niet meer serieus, want die is te zwaar. We doen samen de “leuke dingen” zonder te weten waarom en waartoe en de Bijbel lezen we zoals wij het willen: selectief, maar vooral “nauwelijks.”

View original post 1.309 woorden meer

Geplaatst in Bijbelse theologie | Een reactie plaatsen

Het protestantse Avondmaal in relatie tot de Joodse traditie

Het begrip Avondmaal
In de hele bijbel komt het woord ‘avondmaal’ niet voor. Tenminste, niet in de vertaling van 1951. In de statenbijbel komt het woord vijftien maal voor.  In vier gevallen gaat het om de paasmaaltijd die Jezus met Zijn discipelen hield, vlak voor Zijn sterven (Lucas 22:20, Joh 13:12 en 4 en 21:20).
In 1 Kor 11:21 gaat het om een soort liefdemaal dat aan een plechtige viering voorafging. Die plechtige viering wordt in 1Kor 11:20 en 25 gemotiveerd met het paasmaal dat Jezus met zijn discipelen vierde. Deze gebeurtenis wordt dan ook doorgaans genoemd: ‘de instelling van het avondmaal’.

Drie maal gaat het om een toekomstige maaltijd: ‘de bruiloft van het Lam’, bij het aanbreken van het Koninkrijk van God (Openb 3:20, 19:9,17).

In alle andere gevallen is het verwisselbaar met ons woord maaltijd.
In alle vijftien gevallen is er sprake van het zelfde griekse woord in de grondtekst, dat gewoon vertaald moet worden met ons begrip ‘maaltijd’.
Wat daar verder ook over te zeggen valt; één ding is duidelijk: dat er in de bijbel geen enkel woord staat dat uitsluitend de betekenis heeft van ons woord avondmaal. Het woord avondmaal, zoals het in de statenbijbel voorkomt, wordt gebruikt voor een feestelijke maaltijd die een koning voor zijn genodigden hield (Lucas 14), maar ook voor een gewone maaltijd, zoals Martha aan Jezus en zijn leerlingen voorzette (Joh 12:2).

Het begrip ‘avondmaal’ heeft in de orthodox gereformeerde traditie een heel zwaarwegende betekenis gekregen. Dat heeft verschillende oorzaken. Calvijn was voorstander van een wekelijkse viering. Dat is nooit praktijk geworden in de calvinistische kerken. Om de vieringen heen is een geladen traditie ontstaan met censura morum, voorbereiding, nabetrachting en een formulier. Door deze gang van zaken is het alleen mogelijk om zo af en toe avondmaal te vieren. Dat brengt wel met zich mee dat, ondanks de met de mond beleden “eenheid van de sacramenten”, er een zeer geladen sfeer rond het avondmaal hangt. Mijn bedoeling is om onze traditie aan de bijbelse gegevens te toetsen.

Bij nauwgezette lezing van de bijbelse gegevens blijkt dat het laatste paasmaal dat Jezus met Zijn leerlingen vierde een strikt interne Joodse aangelegenheid was. De bijbelse gegevens laten er geen misverstand over bestaan dat Jezus en Zijn discipelen een gewone Joodse seideravond hebben gevierd. Hoe het paasfeest in de tempel gevierd werd vermelden de evangeliën nergens. De in de ballingschap ontstane viering van de seideravond is een huiselijke variant van de paasmaaltijd. Het valt op dat Jezus enkele formuleringen toepaste die ingrijpend anders waren dan de traditionele joodse formules. Wat was de bedoeling van Jezus binnen het kader van de joodse viering? Wat heeft dit alles voor gevolgen voor onze christelijke viering? En hoe kunnen wij onze christelijke viering motiveren op grond van deze laatste seideravond die Jezus met Zijn discipelen vierde.

Maaltijd houden
Het houden van maaltijd met elkaar heeft een duidelijk bijbelse achtergrond. Als we de teksten daarover lezen vallen er verschillende dingen op.

Gastvrijheid. Denk maar aan de drie mannen die bij Abraham op bezoek kwamen, vlak voor de ondergang van Sodom en Gomorra. Abraham zette hen een maaltijd voor omdat de gastvrijheid dat min of meer vereiste (Gen 18:1-18). Nu zitten aan die gastvrijheid meerdere kanten. Wie gasten uitnodigt om eer te ontvangen en aan anderen wil laten zien hoe rijk of machtig hij wel is, is geen goede gastheer. Een gastheer moet uit spontane overweging gastvrijheid verlenen in de wetenschap daarmee iets goeds aan een ander te doen. Werkelijke gastvrijheid heeft iets met nederigheid te maken. Ik doe een stapje opzij, zodat jij het bij mij goed hebt. Jezus bracht deze houding volledig in praktijk door vlak voor het paasmaal zelf de voetwassing te verzorgen.

In de tweede plaats dient de bezoekende gast zich ook als gast te gedragen. Niet kruiperig of dankjewellerig, maar ook niet arrogant. Dus niet: ‘waar heb ik dit aan verdiend’, maar ook niet ‘deze ontvangst is te min voor mij’. Onaanvaartbaar is het om de gastvrijheid af te slaan of af te wimpelen. Daarmee sla je de gastheer in het gezicht.

Gelegenheidsmaaltijden
Maaltijden worden vaak gehouden ter gelegenheid van de grote feesten. Geen feest zonder maaltijd en dat is nu ook nog steeds zo. En ook hier geldt: je nodigt feestgangers alleen maar uit om feest mee te vieren en niet om het feest te bederven. De gasten dienen hun gastheer eer te bewijzen. Denk maar aan de gelijkenis van de koning die een groot feest wilde houden (Lucas 14) en de maaltijd ter gelegenheid van de terugkeer van de verloren zoon in Lucas 15.

Een maaltijd wordt in de bijbel ook gehouden als dankbetuiging voor zijn weldoener. Levi de tollenaar richt na zijn roeping een maaltijd aan voor Jezus en Zijn volgelingen. En tegen Zacheus zegt Jezus: Ik moet heden in uw huis zijn: Lucas 19:5. En Hem wordt verweten dat Hij met tollenaren, zondaren en hoeren eet en drinkt. Daarbij is onmiskenbaar het element van dank en aanvaarding van groot belang.

Maaltijden worden, zeker in het Oude Testament veelvuldig gehouden als bezegeling van een verbond. Het verdrag tussen Abimelech en Isaak wordt bekrachtigd met een maaltijd. Ook Jacob en Laban sluiten een verbond en besluiten dat met een maaltijd.

Het Oude Testament en onze vieringen
Er zijn twee heel bijzondere maaltijden in het OT die beide doorklinken in onze vieringen. De eerste is de paschamaaltijd. Pascha betekent voorbijgaan of ergens overheen stappen. De paasmaaltijd van het Hebreeuwse volk staat dus in het teken van voorbijgaan. Het leven van verdrukking en slavenarbeid was gelukkig van voorbijgaande aard. Maar meer nog betekent het dat de engel des doods aan die deur zou voorbijgaan waaraan hij het bloed van het paaslam aan zou treffen. Wie de maaltijd van pascha gebruikt, wordt gered. Alleen moet je wel de buitenkant van de deur met bloed bestrijken. In de voorschriften worden steeds drie zaken genoemd: het offerlam, de ongezuurde broden en de bittere groenten. Tot op de dag van vandaag nemen juist de twee laatste onderdelen een belangrijke plaats in bij de Joden. Ze herinneren aan de slechte barre rijden in Egypte. Het is een voorgeschreven maaltijd. Dat is iets bijzonders. Nergens is op een andere plaats in de bijbel sprake van een verplichte maaltijd met een verplicht menu. In die verplichte maaltijd komen vier aspecten samen.

  • God wil niets liever dan gastheer zijn.
  • Het feest van de bevrijding uit Egypte komt tot uitdrukking.
  • Het biedt het volk de mogelijkheid om in combinatie met de andere aspecten , zijn dankbaarheid te bewijzen.
  • Het duidt op de wederzijdse verplichting er voor elkaar te zijn, zoals in een verbond gebruikelijk is. De eenheid, gemeenschap van God en mensen staat centraal.

Deze maaltijd moest jaarlijks één maal gehouden worden. Daardoor krijgt deze maaltijd een bepaald ritueel karakter: het wordt een gedachtenismaal. In deze betekenis komt het begrip maaltijd verder in het OT niet voor. Het paasmaal is op dat punt uniek.

De tweede bijzondere maaltijd is beschreven in Exodus 24. De verbondsluiting.

Mozes bestijgt de berg Horeb, en de oudsten vieren de maaltijd van het verbond met het geslachte vee, waarvan het bloed is gesprenkeld op het volk. Daar kom ik straks nog uitgebreider op terug bij de uitleg van de paasmaaltijd van Jezus met Zijn discipelen.

Avondmaal in plaats van Pascha ?
De uitdrukking: ‘instelling van het avondmaal’ is een term die ontstaan is in de latere traditie van het christendom. Bij zorgvuldige lezing van de schaarse bijbelse gegevens valt het op dat Jezus bij de viering van het paasmaal niet iets heeft afgeschaft en ook eigenlijk niet iets nieuws heeft ingesteld. Jezus vierde gewoon de traditionele Joodse seideravond. Dat komt ook overeen met Jezus’ eigen woorden: ‘Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om te vervullen’ (Matt 5:17). De traditionele seideravond omvat een zeer uitgebreide maaltijd. Deze maaltijd is onderverdeeld in vier hoofdbestanddelen, die elk van elkaar onderscheiden worden door een beker wijn. Het aantal van vier bekers is niet toevallig, Dat is gebaseerd op Exodus 6:5. “Ik zal u uitvoeren van onder de lastdruk der Egyptenaren, ik zal u bevrijden van hun dienst, en Ik zal u redden met uit- gestrekte arm en grote strafgerichten en Ik zal u nemen voor Mij tot volk en Ik zal u tot God zijn.”

  • De eerste beker wordt gedronken bij de opening van de feestelijkheden terwijl men leunend aanligt, als symbool van vrijheid.
  • De tweede beker komt na het voorgerecht en dan stelt het jongste kind de vraag: “waarom is deze avond anders dan andere avonden. Er worden onderling verhalen verteld. Dan wordt de tweede beker wijn gedronken, ook leunend, als teken van vrijheid.
  • Na de overige gerechten, het eerste gedeelte van het Hallel (de psalmen 113 en 114) en het dankgebed volgt de derde beker wijn, als afsluiting van de eigenlijke maaltijd.
  • Kort daarna wordt de vierde beker ingeschonken, terwijl tegelijkertijd de deur opengezet wordt voor de profeet Elia. Dan volgt het tweede deel van het Hallel (de psalmen 115-118) en het Grote Hallel (psalm 136) Voorts wordt de reeds ingeschonken beker gedronken, waarna men afsluit onder meer met de uitspraak “Voer uw nakomelingen in vrijheid, juichend naar Sion”. (nu gevolgd door de bekende zin: “En volgend jaar in Jeruzalem”).

Het is waarschijnlijk dat Jezus deze maaltijd gevierd heeft. Dat blijkt uit de mededeling in twee evangelieverhalen dat Jezus met Zijn discipelen naar de olijfberg vertrok, na de lofzang gezongen te hebben. De lofzang is het Grote Hallel. (Matt 26:30 en Markus 14:26).

De viering van Jezus met Zijn leerlingen
Er was eigenlijk slechts sprake van één belangrijk verschil in de viering van Jezus, in vergelijking met de gewone traditionele viering. Aan dat verschil ontleent de christelijke gemeente haar avondmaalstraditie. Het gaat om de woorden:

  • ‘Dit is mijn lichaam’
  • ‘Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed’
  • ‘Doet dit tot Mijn gedachtenis’.

Het is mijn bedoeling om deze gang van zaken eerst te bekijken tegen de achtergrond van de Joodse traditie en een bijbelse visie op het Jodendom. In tweede instantie wil ik het hebben over de betekenis van dit alles voor de christelijke viering van de maaltijd van de Heer.

Dit is Mijn lichaam
De gewone traditioneel-Joodse formule vanaf het begin van de jaartelling luidt: “Dit is het brood van de ellende dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. Iedereen die honger heeft kan binnenkomen en mee eten. Iedereen die niets heeft kan met ons Pascha mee vieren”.

Het stukje matze dat bij die formule wordt getoond, wordt gebroken. Om de gebrokenheid van het volk der Hebreeën weer in gedachtenis te roepen. Zo als deze matze kapot wordt gemaakt, zo werden wij ook in Egypte kapot gemaakt. De discipelen kenden deze betekenis van jongst af. En wat zegt Jezus nu? Dit is mijn lichaam! Jezus vergelijkt dus het brood met Zijn lichaam. Zo zal ook mijn lichaam lijden – onderdukt – geslagen – verbroken worden. Het ongezuurde brood is hier het teken van de gehele maaltijd, van alles wat gegeten wordt, ook van het paaslam zelf. Door het brood te breken laat Jezus ook al Zijn leerlingen er aan deel hebben. Met deze handeling deelt Jezus Zijn lichaam uit. In tegenstelling tot de drinkbeker, die Jezus niet zelf drinkt (Matt 26:29) 1], eet Jezus ook. Samen met Zijn discipelen eet hij. Dat staat juist het meest indringend vermeld als het gaat om Judas Iskariot. Let wel. Judas wordt op geen enkele manier geweerd van deze maaltijd. Samen met Judas doopt Jezus de bete in de saus, en samen eten zij. Door deze handeling, ook met de andere discipelen, maakt Jezus alles wat gegeten wordt in de paasmaaltijd tot Zijn lichaam. Het breken verbreekt niet de eenheid van het lichaam maar schenkt alle leerlingen het deelhebben aan de eenheid. In het eten wordt het geheimenis geopenbaard dat Jezus’ lichaam, het vleesgeworden Woord en het volk van Israël één zijn. Het woord ‘lichaam’ staat symbool voor ‘het gestalte-krijgen van de Thorah’, De wil van God moet op volmaakte wijze op aarde gedaan worden. Het gehele volk krijgt in de verte- genwoordigers van de twaalf stammen, de discipelen deel aan die volmaaktheid. Het paaslam wordt niet geofferd, maar alleen gegeten. Dit eten wijst op een verbinding. Het is de verbinding met de ram van Abraham op Moria. Het bloed, dat aan de deurposten gestreken wordt is ook teken van het bloed van de ram die Abraham offerde op de berg Moria in de plaats van Izak.

Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed
De tweede buitengewoon wezenlijke gebeurtenis was aan het einde van de maaltijd. De derde of de vierde beker. Jezus sprak de woorden: deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed. Er bestaat een nauw verband tussen wat hier gebeurt en de verbondsluiting van Exodus 24.

In Ex 24:3 belooft het volk: “alle woorden die de Heer gesproken heeft zullen wij doen”. Daar beloofde het volk dat zij de wet, de Thora zou doen. Het eten van de matze, het lichaam van Christus, door de twaalf leerlingen van Jezus is het op zich nemen van de belofte om de wet te doen. De twaalf zijn representatief voor het hele volk, de twaalf stammen van Israël. Let wel, het gaat hier binnen de context van deze geschiedenis niet om de kerk. Hier is sprake van een gebeuren dat past binnen het kader van het volk Israël. Van de christelijke kerk is in dit stadium nog geen sprake. God sloot het Oude Verbond met Israël, zo sluit God hier het Nieuwe Verbond met Israël. Dat is in overeenstemming met de belofte, want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk (Rom 11:29). Wat hier gebeurt is de vernieuwing van het verbond van God met Israel.

“Mozes schreef al de woorden van de HERE op en maakte zich des morgens vroeg op en hij bouwde een altaar onder aan de berg en twaalf opgerichte stenen naar de twaalf stammen van Israël.” (Ex 24:4). De Thorah wordt door Mozes opgeschreven, vastgelegd. Dit alles heeft Jezus volmaakt gedaan, plaatsvervangend voor het volk. Hier wordt het vervuld. Mozes bouwde het altaar, en bij het altaar werden twaalf stenen voor de twaalf stammen van Israël opgesteld. Dan heeft het offer plaats. De jongelingen van Israël brengen het offer van jonge stieren als dankoffers voor God. De jongelingen zijn de eerstgeborenen. Wat hier gebeurt verwijst naar de Ram op de berg Moria, die in de plaats kwam van de eerstgeborene Izak. Offeren is letterlijk omhoogheffen. Het gaat om de betekenis van de bloedsymboliek. Het bloed verbindt met God. Het bloed is de ziel, die opstijgt tot de bron. Tot God Zelf. Het is een opstijgen tot verzoening. Dat is de betekenis van de bloed- en offersymboliek.

Nadat Mozes de helft van het bloed op het altaar gesprenkeld heeft stelt hij aan het hele volk de gehele Thorah voor. Zij zeggen dat zij die zullen doen. Nog eens herhalen zij de belofte. Eerst heeft Mozes de woorden gesproken. Nu heeft hij deze voorgelezen. Voorstellen en voorlezen zijn elk een symbolische handeling. Het laatst is de schriftelijke Thorah van Mozes, Het volk belooft nu deze te zullen doen. Er is een verschil. Het tweede is lichter. De geschreven Thorah is aangepast aan de zwakheid van het volk, de hardheid van hun hart. Maar de eerste belofte, die van de gehele Thorah, is ook gegeven. Die heeft in de volheid des tijds volmaakt gestalte gekregen in de vleesgeworden Thorah, in Jezus Christus. Na deze belofte wordt het verbond bevestigd. En Mozes nam het bloed, besprengde daarmee het volk en zeide: “Dit is het bloed des verbonds, dat de HEER met u sluit op al deze woorden”. Het sluiten van het verbond met God geschiedt door het bloed des verbonds. De stieren worden geofferd in de plaats van de oudste zonen. In de symboliek van de paasmaaltijd is het Paaslam in wezen de Ram van Abraham (Gen 22). Deze ram is in het jodendom zeer belangrijk. Wat de Joden belijden met betrekking tot de Ram belijdt de christelijke kerk met betrekking tot Jezus. De Joden geloven immers dat God de ram van Abraham van voor de grondlegging der wereld af gereed heeft gehouden voor het offer op de berg Moria 2].

Bij het paasmaal neemt Jezus de beker en zegent deze. De betekenis daarvan is dat Jezus alles verbindt met Zichzelf. Hij geeft de beker aan zijn twaalf leerlingen en daarmee aan de twaalf stammen van Israël. In Exodus wordt gesproken van de twaalf opgerichte stenen. De steen of zuil is een teken van het blijvend op God gericht zijn. Jezus zegt: Drinkt uit hem allen. Zijn lichaam heeft Hij ieder afzonderlijk gegeven. Uit deze ene beker moeten allen nu drinken. “Dit is mijn bloed”. Verduidelijkt wordt dat dit het bloed van Jezus is. Het is het bloed des verbonds. Hier zegt Jezus dat Zijn bloed het is, dat het bloed van de eerstgeborenen uit Israël vervangt. Zijn bloed is het bloed van de ram van Abraham, van het Paaslam, het bloed van de stieren, die de jongelingen in hun eigen plaats offerden. Hier heeft Jezus alle offers vervuld. Hij heeft Zich er mee verbonden. De HEER heeft in alle offers altijd al Hem gezien. Hij is altijd al de kracht geweest die de offers omhoog voerde. Zoals het zo prachtig wordt gezegd in de Joodse traditie dat de HEER bij alle offers, die in de tempel gebracht werden, lette op de as van de ram, die onder de tempel op de berg Moria lag 3].

Mozes heeft het bloed op het altaar gegoten en hij heeft het op het volk gegoten. Als Jezus nu zegt: dit is mijn bloed, dan zegt Jezus dat Hij het bloed waarmee Mozes sprenkelde tot Zijn eigen bloed verklaarde. Het is het bloed dat uitgegoten wordt over velen. Jezus zegt ook dat Zijn bloed uitgegoten wordt over het volk.

Het is merkwaardig dat het volk deze uitspraak letterlijk overneemt met de woorden “Zijn bloed over ons en onze kinderen”. Door de tijden heen zijn deze woorden misverstaan en daarmee uiterst negatief uitgelegd. In werkelijkheid ligt de betekenis in het verlengde van Ex 24. Zo is het bloed van Jezus over Israël. Dat bloed is over het volk gekomen tot vergeving, letterlijk: wegzending van de zonde. Welke zonden? In de eerste plaats de zonden van het volk als geheel. Het gaat om het tekort schieten in de verplichting van het verbond. Die verplichting is dat de de Thorah volkomen vlees wordt, gestalte krijgt in Israël. Als dat gebeurt zullen de volkeren daarvan de zegen ontvangen, van zonde ontslagen en uiteindelijk gered worden. De belofte is niet alleen voor het volk, maar voor alle volkeren: het gaat om velen.

Israël heeft de belofte slechts ten dele gehouden. Jezus heeft de belofte in hun plaats volledig waar gemaakt in het vlees. Zoals de stieren in de plaats van de jongelingen kwamen, zo kwam Jezus in de plaats van het volk. In Jezus is Israël volmaakt.

Ons avondmaal
Wat is van dit alles nu de betekenis voor de christelijke gemeente? Ook wij als christelijke gemeente vieren een gedachtenismaaltijd die wij doorgaans het Heilig Avondmaal noemen. Van de vroeg-christelijke gemeente lezen we dat ze (dagelijks) het brood aan huis braken. Dankzij een brief van Paulus aan de Korinthiers hebben we iets meer concrete informatie. Vanuit de evangelien weten we dat Jezus via de vertegenwoordigers van het volk, de twaal discipelen, een Nieuw Verbond met Israël heeft gesloten. Op het eerste oog heeft Jezus niets ingesteld, en zeker niets afgeschaft, maar deze verbondsluiting is in elk geval wel de voorwaarde waardoor wij, gelovigen uit de heidenen, avondmaal kunnen vieren. Na pinksteren is de Geest uitgestort op alle vlees. De beloften van het verbond zijn voor alle volkeren bestemd. Via Gods verbond met Israël zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Wij, gelovigen uit de heidenen herkennen de symboliek. Ook voor ons kan het samen uit eten gaan verband houden met een feest, een verbondsluiting, zoals een huwelijk, als dank voor bewezen diensten, een afgesloten contract en noem maar op. Het mooiste is dat al die aspecten ook weer te beleven zijn in de viering van het avondmaal. Wat dat betreft is er weinig veranderd. Toch denken we bij ons avondmaal eigenlijk doorgaans maar aan één aspect: “dat Jezus voor onze zonden gestorven is”. Dat geloven wij individueel, ieder voor zich, terwijl de symboliek van een maaltijd juist iets gemeenschappelijks inhoudt. Dat is vreemd. Ik denk dat dit komt doordat wij ten onrechte het lijden en sterven van Jezus niet verbinden met de nood en het onrecht op deze wereld. En dus ook niet met de belofte dat daar ooit eens een einde aan zal komen. Door een dergelijke eenzijdigheid kan het christelijk geloof iets wereldvreemds over zich krijgen. En dat terwijl in Jacobus 1:18 gelovigen ‘eerstelingen van de schepping’ worden genoemd. Dat belooft dus meer, en wij mogen delen in het voorrecht daar weet van te hebben. En juist dat weten, wordt door het geloof in het volbrachte werk van Jezus Christus vruchtbaar.

Zo kan een avondmaalviering iets worden wat Paulus bedoelt met de prachtige tekst aan het einde van de brief aan de Romeinen: De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden (Rom 16:20). En Johannes in zijn Openbaring: “Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam” (Openb 12:11).

————–

1. Jezus geeft Zijn bloed, hij ontvangt het niet Zelf. Zolang de wijn beeld is van zijn vergoten bloed drinkt Jezus niet van de vrucht van de wijnstok. Wel na de vernieuwing in het Koninkrijk. Jezus maakt wel deel uit van het éne lichaam. Col 1:18>Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente.Rasji bij Gen 22:14> In alle komende geslachten is op de berg de as van Isaac zichtbaar en bereid om te verzoenen. De as van Isaac is in werkelijkheid de as van de ram, die in zijn plaats is
geofferd. Op de vastendagen strooit men as op het hoofd opdat God de as van Isaac gedenkt.
De as ligt op de grond waar de tempel te Jeruzalem gebouwd was. JHWH ziet de as aan alsof zij
op het offeraltaar ligt. enz.

2. Dergelijke voorstellingen hebben altijd een diepere symbolische betekenis. In die zin zijn ze werkelijkheid. Ook het nieuwjaarsblazen met de ramshoorn (sjofar) hangt met deze ram samen. Rosh. Hash. 16a: “De Heilige, geprezen zij Zijn Naam, zeide: Blaas voor Mij op de ramshoorn, opdat Ik het offer van Isaac, de zoon van Abraham gedenke en Ik reken het hem aan als had gijlieden uzelf voor Mij laten binden”.

3. Rasji bij Gen 22:14> In alle komende geslachten is op de berg de as van Isaac zichtbaar en bereid om te verzoenen. De as van Isaac is in werkelijkheid de as van de ram, die in zijn plaats is geofferd. Op de vastendagen strooit men as op het hoofd opdat God de as van Isaac gedenkt. De as ligt op de grond waar de tempel te Jeruzalem gebouwd was. JHWH ziet de as aan alsof zij op het offeraltaar ligt.

Geplaatst in Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Nieuwe Testament | Een reactie plaatsen

Avondmaalmijding 2.0

Er schijnt in Protestantse gemeenten iets aan de hand te zijn met het Avondmaal. Ik kwam zoiets tegen op een weblog 1] van een dominee. Het zou gaan over een nieuwe vorm van avondmaalmijding. Veel gemeenten zijn al sinds decennia vertrouwd met het fenomeen waarbij mensen het avondmaal mijden omdat ze denken te zondig te zijn of geen deel denken te hebben aan de genade in Christus. Een onuitroeibaar kwaad waarbij pure bevindelijke vroomheid maar ook hoogmoed een rol kan spelen. Het hangt vooral samen met een uitleg van 1 Kor 11:29 waar gesproken wordt over het zichzelf een oordeel eten en drinken. Hierbij is het klassieke avondmaalformulier de kwade genius want daarin wordt deze tekst genoemd in het kader van het zelfonderzoek. Hoewel de context van die bijbeltekst duidelijk aangeeft dat het hierbij gaat om dronkenschap tijdens het vroegchristelijke avondmaal .

Het voert te ver om daar nu diep op in te gaan. Het gaat dus om een nieuw fenomeen: een nieuw argument voor avondmaalmijding. Jonge, enthousiaste christenen, die belijdenis hebben gedaan, doen in avondmaaldiensten niet meer mee. Sterker zelfs: zij hebben helemaal niets met het avondmaal zoals dat in de kerk gevierd wordt. Het is niet helemaal duidelijk of dat komt doordat ze het als kind nooit hoefden mee te maken vanwege het bestaan van de grootste concurrent van de zondagse eredienst, de  kinderkerk of dat ouders het ‘gewoon’ niet nodig vinden dat de kinderen meegaan naar de kerk als het avondmaal gevierd wordt. Dominee M.J. Schuurman verwijst op zijn weblog naar een conferentie van de Gereformeerde Bond, waar ook evangelische invloeden genoemd werden als oorzaak.

Een dergelijke diagnose lijkt niet zo veel op het spreekwoordelijke ‘zelfonderzoek’, dat juist zo nodig heet zodra het over het Avondmaal gaat. Is het nu echt zo moeilijk om, als kerk, de oorzaak eens in het eigen kerkelijke systeem te zoeken? Al heel lang is het overduidelijk dat het Avondmaal in veel gemeenten een ritueel is waarbij iedereen het ineens nodig schijnt te vinden zijn somberste gezicht mee te nemen naar de kerk. Ook het klassieke formulier en de week van voorbereiding staan garant voor een loodzware ernst tijdens dergelijke kerkdiensten. En dan heb ik het nog niet eens over de censura morum zitting van de kerkenraad in de week van voorbereiding. Hoewel daar nooit iemand op af schijnt te komen heeft het begrip als zodanig een sombere onheilspellende klank. De vraag moet gesteld: kan er met zoveel dompers, vooraf en tijdens de viering, nog wel sprake zijn van een viering van het Heilig Avondmaal?

Wat de nieuwe categorie avondmaalmijders denkt over het traditionele gereformeerde avondmaal komt bij mij helemaal niet over als iets nieuws. Ik ken het avondmaal in de kerk niet anders dan in de sfeer van het evangelie in de somberst denkbare verpakking. Ook wil ik noemen het individualistische karakter van de gereformeerde avondmaalspiritualiteit. Iedere deelnemer wordt geacht om aan de tafel over het welzijn van het eigen zieltje te navelstaren terwijl de symboliek van een maaltijd verwijst naar iets gemeenschappelijks. Hervormde avondmaalviering in deze context is heel moeilijk te zien als een middel tot versterking van het geloof.

Al vaker heb ik tegenover medekerkgangers en kerkenraadsleden de argumenten genoemd die ik zojuist opsomde. Daarbij heb ik ook benoemd dat de diaconale insteek van het Avondmaal ook meer inhoudelijk kan worden ingevuld. Bijvoorbeeld de voorbede verplaatsen naar de viering van het Avondmaal. Maar ja, traditie is altijd een taai fenomeen! Van de traditionele kant is de avondmaalproblematiek ook niet goed bespreekbaar. Dat merkte ik ook bij het lezen van de blog van dominee M.J. Schuurman. De zorg lijkt er vooral te hangen rond de meer formele aspecten: de dominee als bediener van het avondmaal. Een viering thuis, in de privésfeer, past niet binnen het kerkelijke denken. Vreemd eigenlijk, als we beseffen dat ‘het laatste avondmaal’ dat door Jezus en zijn discipelen gevierd werd een viering was van de Joodse Seideravond. Iets wat gewoon in elk huis waar Joden woonden, in de privésfeer, gebeurde en nog steeds op die manier plaatsvindt.

Het christelijke Avondmaal is een viering die afgeleid is van een viering met een Joods karakter in een Joodse context. Ligt het niet veel meer voor de hand om het gereformeerde avondmaal zoals we dat nu kennen te herijken aan de Joodse context waarin het in het oerchristendom is ontstaan? Misschien is het dan wel winst als christenen voortaan het avondmaal (ook) in huiselijke kring vieren. Zonder het loodzware formulier en zonder censura morum. Dat lijkt me meer vruchtbaar dan de pogingen, die op voorhand kansloos zijn en waarmee men probeert dode traditionele vormen nieuw leven in te blazen.

—————–

1. De weblog van ds. M.J. Schuurman: http://mjschuurman.wordpress.com/?s=avondmaal

 

 

Geplaatst in Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Canoniek, Israël-debat, Nieuwe Testament, Schrift en/of Belijden | 4 reacties

De verdwijning van het protestantisme

Het protestantisme is bezig te verdwijnen. Dat geldt niet alleen de vrijzinnige stromingen.  Die doen het zelfs nog goed door toedoen van een open houding naar andere opvattingen. Nog niet zolang geleden was de orthodoxe variant in de kerk nog stoer met slogans als “de nood van de kerk is de nood van de prediking”. maar vooral de laatste tien jaar is ook in dat segment van de kerk een neerwaartse spiraal te signaleren. En ook evangelische gemeenten hebben hun beste tijd gehad. Alleen de diverse stromingen onder de bevindelijk gereformeerden vormen nog een uitzondering. Maar ook daar is sprake van erosie. Veel predikanten die lid zijn van de gereformeerde bond in de Protestantse Kerk zijn na de scheuring met de Hersteld Hervormden in snel tempo ‘vagebonders’ geworden. Dat kon makkelijk zo gebeuren omdat de bonders niet langer de hete adem van de bezwaarde gemeenteleden in de nek voelden maar in plaats daarvan des te meer geconfronteerd worden met  gemeenteleden die liturgische vernieuwing wensen.

Toerusting in de kerk
Er is in de moderne orthodoxie bijna geen sprake meer van toerusting die dieper gaat dan de oppervlakte van een plat bord. Er is zoiets als een elfde gebod binnengeslopen in de kerk: “gij zult niet nadenken!” Alles moet eenvoudig zijn, in de betekenis van simpel. Bovendien is het een trend geworden dat tijdens bijeenkomsten van bijbel- en gesprekskringen elke mening, mits het benoemen daarvan niet al te lastig aanvoelt voor de andere deelnemers, evenveel waard is. Elke te lastige vraag en elke uitleg met enige diepgang wordt direct afgeserveerd. Op die manier is er natuurlijk geen sprake meer van echte bijbelstudie. Bij een echte gemeenschappelijke bijbelstudie zoek je samen naar onderlinge verbanden tussen diverse bijbelpassages die van belang zijn erbij te nemen. Ik heb bijbelkringen meegemaakt waar geen enkele deelnemer een bijbel bij zich had. Zelfs heb ik meegemaakt dat de te bespreken bijbelpassage voor iedereen op een a4-tje beschikbaar was. Alsof een bijbelfragment op zichzelf te bevatten is.

Het hoeft dan niet te verbazen dat de bespreking van een bijbelgedeelte niet meer oplevert dan een uitwisseling van weinig gefundeerde meningen en geloofservaringen. De dominee die leiding geeft, heeft geen andere rol dan alles wat gezegd is aan elkaar te praten om het er op te laten lijken dat iedereen het met elkaar eens is. Het is zeer de vraag wat ermee gewonnen is om op de hoogte te worden gebracht van een scala aan geloofservaringen en -belevingen. Daarbij komt dat zelden sprake is van meningen die worden gemotiveerd. Motiveren vergt nadenken en nadenken is iets waar de meeste deelnemers aan kerkelijke kringwerk een bloedhekel aan hebben. Van bijbelse onderbouwing van enig gehalte is al helemaal geen sprake en als iemand de euvele moed heeft iets te proberen in die richting wordt die poging direct onbarmhartig neergesabeld.

De kerkdienst
Al lange tijd is er in orthodox christelijke kring sprake van een proces dat wel eens het proces van verkleutering is genoemd. Inmiddels is aan dat proces ook de zondagse kerkdienst opgeofferd. In veel kerken is de zondagse kerkdienst niet meer dan een knusse bijeenkomst waarbij de liturgie de functie heeft de boel op te leuken. De eigenlijke betekenis van liturgie is ‘de orde van een gezamenlijke dienst aan God’. Liturgie heeft dus in wezen niets van doen met opleuken. Een commissie eredienst die dit niet weet heeft een probleem. Deelnemers aan zo’n commissie weten niet dat bezig zijn met liturgie ook theologische kennis veronderstelt. Hun commissie heeft eigenlijk geen andere functie dan die van een feestcommissie. Dan moet je niet vreemd opkijken als er inhoudelijk gezien uiteindelijk nog slechts een bleke kerkdienst resteert. Het gemiddelde gemeentelid  wil ook niet anders meer dan bevestigd worden in de eigen ervaringen. Iets bijleren is niet meer welkom. En dan heb ik het nog niet eens over het steeds vaker voorkomend gezwijmel dat dan moet doorgaan voor ‘woordverkondiging’. Het gaat dan niet meer over de inhoud laat staan over de kwaliteit. De liedjes moeten leuker, vooral opwekkingsliederen want die zijn tegenwoordig hip. Niet meer die saaie psalmen en gezangen. En de preek moet vooral simpel zijn en liefst ook grappig. En na de dienst gezellig koffiedrinken om nog wat na te babbelen over de pas genoten vakantie of over de vakanties die er nog aankomen.

De functie van dominee
Ik heb me wel eens afgevraagd of alle mensen die de hele dienst naar de man op de preekstoel kijken wel echt horen wat die man zegt. Ik denk dat de meeste kerkgangers alleen maar doen alsof ze luisteren. Ze kijken braaf naar de dominee omdat dit zo hoort maar in werkelijkheid horen ze niets. Als de kerkenraad een aap met een jurk aan op de preekstoel zou zetten luisteren ze nog.

Hoe kan het gebeuren dat iemand die zes jaar theologie heeft gestudeerd aan een universiteit zich een rol laat welgevallen waarvoor een kerk veel beter een clown in dienst zou kunnen nemen. Daar moet elke theoloog die zijn of haar vak serieus neemt op den duur een gigantisch minderwaardigheidscomplex aan overhouden! Zou dat de verklaring zijn van het grote aantal predikanten met een burn-out?

Toekomst
De meeste kerkgangers hebben geen enkele behoefte aan echte toerusting. Niet door middel van bijbelkringwerk en een dominee die te moeilijk preekt is ook niet meer welkom. Er is zelfs sprake van een vijandige houding naar alles wat te maken heeft met diepgang. Het is een vorm van nihilisme.

Een christen die niets wil weten over het eigen geloof is als een voetballer die niets met voetballen heeft. Of als een schaker die er maar wat op los schuift met zijn stukken op het schaakbord. Het kan niet anders of deze ontwikkeling moet het begin van het einde zijn van het orthodox gereformeerde protestantisme.

 

 

Geplaatst in Bijbelse theologie | 3 reacties

God en het kwaad

In een landelijk kerkelijk opinietijdschrift 1] werd de vraag gesteld naar God en het kwaad, concreet: naar de rol van God in het kwaad. Dit gebeurde naar aanleiding van 2 Samuel 24:1.

2 Samuel 24:1 > De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël. Hij zette David op door te zeggen: Ga Israël en Juda tellen.

Het verbaast me dat de dominee die de vraag moet beantwoorden 2] verwijst naar 1 Kronieken 21:1 alleen maar om aan te tonen dat het eigenlijk de satan geweest moet zijn die David tot de volkstelling aandreef. Zodoende laat de beantwoorder van de vraag deze tekst slechts dienst doen als bliksemafleider van een te lastige problematiek, die opgeroepen wordt door een andere Bijbeltekst waarin God genoemd wordt als de aanstichter van de telling. 1 Kronieken 21:1 maakt voluit deel uit van dezelfde problematiek die opgeroepen wordt door 2 Samuel 24:1. Vertegenwoordigt Satan een zelfstandige macht? Is Satan een macht die onafhankelijk zijn plannen bedenkt terwijl God moet afwachten wat zijn tegenstander nu weer in petto heeft?

1 Kron 21:1 > Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.

Ds. Boele begint zijn antwoord met de opmerking:

Inderdaad staat onomstotelijk vast dat de HEERE nooit de bewerker van het kwade is. Jakobus schrijft: ‘Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik wordt door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand’ (Jakobus 1:13).

En naar aanleiding van 1 Kronieken 21:1 schrijft hij:

De schrijver van 1 Kronieken 21 wijst ons er op dat de satan erbij betrokken is, die niets liever wil dan mensen verzoeken met als doel dat ze in de zonde vallen… Al met al voor ons heel ingewikkeld om te doorzien welke rol ieder in deze geschiedenis speelt. Duidelijk is in ieder geval dat de HEERE geen enkele blaam treft.

Er is dus de merkwaardige situatie waarbij in de ene bijbeltekst God iets tegen Israël heeft en daarom David aanzet tot een volkstelling terwijl in een ander deel van de bijbel David door satan tot deze actie wordt gedreven. Dergelijke teksten worden bij veel lezers als tegenstrijdig ervaren. Eigenlijk komt ds. Boele in heel zijn betoog niet toe aan een ècht antwoord. De problematiek wordt op een stichtelijke manier glad gestreken. Het kan zijn dat de vraag naar aanleiding van 2 Samuel 24:1 heel lastig te beantwoorden is binnen de vertrouwde dogmatische kaders. Het lijkt erop dat de dominee er van meet af aan op uit is om God uit de wind te houden. Het lukt hem in elk geval niet op een overtuigende manier. Vanaf het begin van zijn antwoord is al duidelijk waar hij naar toe wil: “Vast staat dat de HEERE nooit de bewerker van het kwaad is”. Deze stelling staat zelfs tussen de tekst van het artikel vet gedrukt in een kader. Ds. Boele begint zijn beantwoording van de vraag met deze ‘onomstotelijke’ vaststelling, terwijl in dat stadium van de beantwoording nog helemaal niets vast staat. Het antwoord moet nog komen op hoe de diverse Bijbelteksten met elkaar in verband staan. Terecht  noemt ds. Boele heel speciaal Jakobus 1:13 Maar ook die tekst maakt deel uit van de problematiek en kan hier niet zomaar dienst doen als katalysator

toelaten…
Nog een citaat uit de beantwoording van ds. Boele:

De kant die de schrijver van 2 Samuel vooral belicht, is dat de HEERE, ondanks de verzoeking van satan (die Hij toelaat), de zwakte van koning David, toch uiteindelijk alle dingen bestuurt en laat meewerken aan het bereiken van zijn doel(en).

Voor wie ervan doordrongen is dat God alle dingen bestuurt kan 2 Samuel 24:1 geen problemen opleveren. Zo duidelijk ligt het echter niet voor orthodoxe christenen. Het is een vertrouwde escape om het woord ‘toelaten’ te introduceren zodra de rol van God in het kwaad weggepoetst moet worden: God laat het toe dat satan David aanzet tot een volkstelling. Het woord ‘toelaten’ is al eerder gevallen in een citaat uit de kanttekeningen op de Statenvertaling bij 2 Samuel 24:1

Te weten, de Heere. Niet dat Hij zulks zou hebben ingegeven, maar omdat Hij, naar Zijn verborgen regering de satan zulks heeft willen toelaten en hem gebruiken tot een verdiende bestraffing der Israëlieten en tot kastijding en vernedering van David.

Het is de vraag of de dogmatische slogan ‘onder de toelating Gods’ helpt. Is de idee als zodanig voldoende overtuigend om hiermee aan te tonen dat God hier ‘geen blaam treft’? Als God alleen iets toelaat dan neemt God op de keper beschouwd wel degelijk een beslissing. Het kan niet zijn dat een almachtige God in passieve zin iets maar laat gebeuren, iets toelaat. De oplossing van het probleem is simpel: David moet er toe worden aangezet om het volk te tellen. En God maakt daarbij gebruik van de diensten van satan. Je zou het kunnen vergelijken met een uitspraak van de profeet Micha (ben Jimla) in 1 Koningen 22:19-23 (zie ook 2 Kronieken 18:19-22) >

19 Verder zeide hij: Daarom hoor het woord des HEEREN: Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand.
20 En de HEERE zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo.
21 Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede?
22 En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.
23 Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van al deze uw profeten gegeven; en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.

God vraagt in een vergadering van de hemelse raad of er een vrijwilliger is die dienst wil doen als leugengeest. Ook in deze geschiedenis is geen sprake van een passief ‘toelaten’ door God. De situatie is er niet één waarin God wegkijkt als een leugengeest uit eigen initiatief een boos plannetje ten uitvoer gaat brengen. De tekst laat er geen misverstand over bestaan dat God hier volledig de regie heeft. God is hier zelfs de bedenker van het plan om Achab te misleiden: “wie zal Achab overreden.”

meer bijbelse voorbeelden 
Naast de leugengeest die de profeten van Achab moet misleiden zijn er veel meer Bijbelpassages te noemen die vragen oproepen vergelijkbaar met die van 2 Samuel 24:1. Het is God die Abraham beveelt om zijn zoon Izak te offeren (Gen 22:2) hoewel kinderoffers in Gods ogen een gruwel zijn (Jer 19:5; Ezech 20:31). God staat satan toe om Job in het ongeluk te storten en Job schrijft de hele situatie die hij meemaakt aan God toe: “Wil Hij mij doden, ik blijf op hem hopen.” (Job 13:15). Volgens Jesaja 45:7 is het God die het heil bewerkt en het onheil schept. Volgens Amos 3:6 gebeurt er geen ramp of God moet de bewerker ervan zijn. Achabs legeroverste Jehu krijgt nadat één van de profeten (in opdracht van de profeet Elisa) hem tot koning heeft gezalfd de opdracht om het gehele geslacht van Achab uit te roeien (2 Kon 9:7-10). Die daad van Jehu wordt later door de profeet Hosea getypeerd als de bloedschuld van Jizreël (Hosea 1:4) nadat nota bene God  zelf Jehu om dezelfde daad beloonde met een dynastie van maar liefst vier geslachten (2 Kon 10:30). Het is de Heilige Geest die Jezus  wegleidt in de woestijn om door de duivel verzocht te worden (Matth 4:1). En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Heldere antwoorden
Ik vraag me af waarom ds. Boele niet gewoon voluit de bijbel laat spreken in plaats van zich met een Jantje van Leiden af te maken van een moeilijke vraag van een kerkganger die de bijbel leest. Op kerkgangers, die zelfstandig de bijbel lezen en die daarbij toelaten dat er vragen opborrelen moet je zuinig zijn in de kerk. Dergelijke kerkgangers zijn zeldzaam geworden. Waarom brengt een dominee die natuurlijk enthousiast moet zijn over zo’n goede vraag, niet meteen de hele bijbelse samenhang rond het thema van de vraagstelling onder woorden? Dat zou een eerlijker antwoord zijn geweest dan de tegenstrijdigheden die hij nu zelf heeft opgeroepen in zijn artikel. Nadat ik het antwoord van de dominee gelezen had kreeg ik de indruk dat 2 Samuel 24:1 een eenzame zwerfsteen moet zijn in de bijbel.  Misschien wel een onvoorzichtig geformuleerde conclusie van de auteur van het Bijbelboek 2 Samuel. In de paragraaf hiervoor heb ik aangetoond dat in werkelijkheid veel meer passages in de bijbel voorkomen die op één of andere manier God in verband brengen met één of andere vorm van kwaad. De kwestie houdt verband met het consequente monotheïsme dat we in de bijbel aantreffen: er is één God. Het kan niet zo zijn dat de satan of het kwaad of wie dan ook een zelfstandige macht zou vormen, naast of tegenover de God die zichzelf op talrijke plaatsen in de Schrift heeft geopenbaard als de almachtige God. Een almachtige God kan nu eenmaal geen èchte concurrenten naast zich hebben. Vandaar de bekende bijbelse uitdrukking voor de vermeende concurrenten van God: afgoden. Formuleringen als die van 2 Samuel 24:1 passen helemaal in de strikte lijn van de bijbelse Godsleer: er is één God.

1. De Waarheidsvriend. Jaargang 2014, 24 april, nr 17, p7.

2. Ds C. Boele. Hervormd predikant te Oud Beijerland  

Aside | Geplaatst op door | 1 reactie

De hel, geschiedenis en toekomst

[Tekst van de lezing die ik gegeven heb in de Pauluskerk in Breukelen, op 25 sept 2013, t.g.v. een thema-avond over de hel. De avond werd ingeleid door ds. H.H. Schorren, predikant van de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk in Breukelen. Het geheel is na te beluisteren via http://www.kerkomroep.nl]

Het bestaan van een hiernamaals behoort in het Christendom tot één van de meest prominente dogma’s.
In de christelijke leer zoals wij die in het westerse deel van de christelijke kerk kennen is de hel een noodzakelijke tegenvoeter van de hemel: bestaat er een eeuwig leven? Dan ook een eeuwige verdoemenis!
Zo is de officiële christelijke leer.
Het werd niet meer zo vaak hardop gezegd maar ik hoorde het niet lang geleden toch weer in een preek die ik via internet beluisterde. De hel zou nodig zijn om het geluk van de zaligen in de hemel des te sterker te laten uitkomen. Ten behoeve van het besef van de zaligen. Deze stelling werd met veel overtuiging ten gehore gebracht.
Er was in die voorstelling geen sprake van enig mededogen met degenen die het vreselijke lot van de hel moeten ondergaan. Deze voorstelling van de hel behoort tot de meest prominente in de christelijke traditie.
Omdat er vanavond ruimte is voor een bijbelse insteek heb ik de mogelijkheid om de christelijke traditie kritisch te volgen vanuit de Heilige Schrift.
Het aantal bijbelteksten heb ik zoveel mogelijk beperkt gehouden. Ik besefte dat een veelheid aan bijbelteksten vermoeiend kan worden. Ik hoop dat ik in mijn opzet geslaagd ben. Tenslotte lees ik de gelijkenis van Lazarus en de rijke man uit Lukas 16, maar eerst de proloog. Omdat die er toe doet. Daarna volgt een interpretatie.
Daarna een slotwoord met een Joods accent.

Hel en christendom
De geschiedenis van de hel valt niet samen met de geschiedenis van het christendom.
Het is een discussie apart waar we de geschiedenis van het christendom moeten laten beginnen. Ik kies er voor om de kerkgeschiedenis te laten beginnen met Paulus. Hij staat te boek als de Apostel van de heidenen.
De gemeenten die hij stichtte waren gemeenten die waarschijnlijk voornamelijk uit heidenen bestonden.
Die christelijke gemeenten ontleenden hun toerusting aan datgene wat Paulus en zijn medewerkers meedeelden over Jezus en wat er rond Hem gebeurd is en uit  de Heilige Schrift van de Joden; het Oude Testament.
De Evangeliën zijn geschreven om dienst te doen als middel tot toerusting van de jonge christelijke gemeenten.

De gemeenten in Griekenland, Klein-Azië en Italië weekten vanaf het einde van de eerste eeuw los van het Jodendom.
In diverse geschriften van Apostolische Vaders,de leerlingen van de Apostelen, was al sprake van een heftige anti-Joodse mentaliteit. Joodse begrippen in het Nieuwe Testament kregen een totaal andere betekenis.

De rol van de staatskerk
De traditie van de hel is in allerlei varianten leidend geweest vanaf de vierde eeuw tot vandaag. Door toedoen van die traditie heeft de hel een belangrijke hefboomwerking gekregen bij de verkondiging van de leer van de kerk. Dit proces is begonnen met het ontstaan van de staatskerk tijdens keizer Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer van het Romeinse Rijk. Vanaf die tijd werd het steeds belangrijker om christen te zijn. De reden om christen te worden werd steeds vaker ingegeven door opportunistische motieven.
De noodzaak erbij te blijven horen in de maatschappij. Na 380 telde je niet meer mee in de maatschappij als je geen christen was. Grote groepen mensen traden toe tot de kerk. Maar lang niet al die mensen waren echt gemotiveerd voor het christelijk geloof. Het hoge zedelijke peil, dat de christenen tot dan toe kenmerkte, nam sterk af.
Er was naar het oordeel van de geestelijkheid iets nodig om de mensen ervan te doordringen dat er ernst moest worden gemaakt met de heiliging van het leven. Preken over de hel was daarbij een geschikt middel. Angst voor de hel werd een belangrijke hefboom ten gunste van de doorwerking van de leer van de kerk.
Het Evangelie klonk niet langer als een openbaring die blijdschap opleverde.
Er kwamen gemengde gevoelens bij. Er kwam angst bij en die angst is sindsdien een grondstemming geweest in de geloofsbeleving van veel christenen.
Uiteindelijk werd, in 543, tijdens het tweede concilie van Constantinopel het eindeloze karakter van de hel als dogma vastgesteld. Origenes, die er anders over dacht, op theologische gronden, werd daarom driehonderd jaar na zijn dood veroordeeld als ketter.

De tweede en de derde eeuw
De omstandigheden waaronder de strenge leer van de christelijke hel tot stand is gekomen roept een vraag op: hoe werd er in de vroege kerk, de eerste drie eeuwen van het christendom, gedacht over hel en oordeel?
Ik begin met de tweede eeuw van het christendom.
Vanuit dat startpunt ga ik de theologie van Paulus, de theologie van het oerchristendom, belichten vanuit de tekst van het Nieuwe Testament.
Maar eerst iets over het Jodendom van de eerste eeuw.

De hel en het Jodendom
In de vroege kerk was het woord ‘hel’ niet in zwang. Men sprak van ‘het Vuur’, dat werd voorgesteld als een louteringsvuur. De grondgedachte van loutering is ontleend aan het Jodendom. In die lijn wordt de hel door de bekende Rabbijn Evers ‘de grote wasmachine’ genoemd.
De Joodse voorstellingswereld van wat wij de hel noemen wijkt sterk af van die van het christendom. Binnen het Jodendom staat het leven op aarde centraal. Ook de manier waarop Joden ermee leven. Hier op aarde ligt onze opdracht en de beoordeling van ons leven is aan God.
De Talmoed leert dat er in de komende wereld geen sprake meer zal zijn van het een hel.
Ook in de Zohar, het heilige boek van de Kabbala, de Joodse mystieke traditie, is de hel geen blijvende toestand. De laatstgenoemde traditie is nog betrekkelijk jong, ze is ontstaan na de twaalfde eeuw. Maar de wortels van deze traditie gaan terug tot Philo.

Over het karakter van de hel in het Jodendom zijn de meningen verdeeld. Dat heeft vaak als oorzaak dat het niet goed begrepen wordt. De reiniging van de zielen wordt in het Jodendom voorgesteld als een proces dat kan plaatsvinden in een groot aantal verdiepingen. Onwillige zielen dalen steeds dieper.
De onderste verdieping is de eigenlijke hel waar geen terugkeer uit mogelijk is. Alleen de meest onwillige zielen – en dat zijn er niet veel – komen in de hel, het Gehinnom. ´Het Gehinnom is Joods jargon voor wat wij de hel noemen.
Uiteindelijk verdampen die zielen.
Er is in deze Joodse voorstelling geen sprake van een eeuwige straf maar van uiteindelijke vernietiging van degenen die hardnekkig blijven.

De vroege kerk
Terug naar de vroege kerk. Er zijn drie verschillende stromingen te onderscheiden.
De omvangrijkste stroming was die van het universalisme, de alverzoening. Deze leer houdt in dat alle mensen, al dan niet na een tijdelijke straf, uiteindelijk door de genade van Christus gered worden.
Deze stroming had maar liefs vier van de zes theologische opleidingen die er in die tijd waren: Alexandrië, Caesarea, Antiochië en Edessa.
Naast de alverzoening waren er twee nevenstromingen. De kerkvader Tertullianus (160-230) leerde in Carthago de eindeloze hellestraffen en in Ephesos was een catechetenschool gevestigd waar de uiteindelijke vernietiging van de goddelozen werd onderwezen.

De eerste eeuw en het universalisme van de Apostel Paulus
Ik denk dat de sterke neiging tot alverzoening in de vroege kerk te herleiden is tot de prediking van Paulus. De apostel Paulus schrijft op vrij veel plaatsen in zijn brieven over het heil voor alle mensen.
Ik zie geen reden om ervan uit te gaan dat Paulus op die plaatsen iets anders heeft bedoeld dan wat hij schreef.
Augustinus meende dat Paulus doelde op alle soorten mensen. Deze escape wordt nog vaak gehanteerd.

Maar de context bij Paulus is helder.
Ik noem twee citaten:

Rom 5:18 (NBV)
Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven.

Paulus komt in deze uitspraak tot een slotconclusie vanuit een langer betoog.
Die conclusie luidt dat alle mensen zijn veroordeeld door de zonde van één mens (Adam) en dat alle mensen worden vrijgesproken door de rechtvaardigheid van één mens (Jezus Christus).
Deze uitspraak zou haar zin verliezen als de populatie die aangeduid worden met het woord allen niet beide keren dezelfde groep betreffen.

Het tweede citaat:

Rom 11:32 (SV)
Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.

‘Hen allen’ gaat in het verband van de tekst over de Joden. Maar omdat de Joden in de bijbel representatief staan voor de hele mensheid moet de tekst evengoed betrekking hebben op alle mensen.
De tekst houdt in dat de hele mensheid Adam heeft nagevolgd in het zondigen en God heeft die situatie aangewend om een omkeer te bewerken ten goede. Op die manier schenkt God de gehele mensheid vergeving van zonden. Via die weg toont God zijn rechtvaardigheid.

Er zijn nog veel meer citaten te noemen die het universalisme van Paulus’ prediking bevestigen. Ik houd het bij deze twee.

Eeuwige verlorenheid?
Paulus is er in diverse uitspraken duidelijk over dat er mensen verloren gaan.
Er is geen reden om deze uitspraken uit te spelen tegen de duidelijke universalistische uitspraken van Paulus. Ze spreken elkaar ook niet tegen.
Toch staat er een uitspraak in de bijbel, die in de aanhef van 2 Thess. wordt toegeschreven aan Paulus maar dat wordt betwist.

2 Tess 1:9 (HSV)
Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht

Het gaat hier over degenen die geen godsbesef hebben en over hen die het evangelie niet gehoorzaam zijn.

De betekenis van het Griekse woord dat doorgaans  vertaald wordt met eeuwig kan geen argument zijn voor een eeuwige verlorenheid. Het Nederlands kent geen geschikt vertaalwoord voor dit Griekse begrip. Het woord αιων = eeuw of αιωνιος = eeuwig heeft niet als betekenis een oneindige tijd. Het kan een onafzienbare tijd betekenen, gedacht vanuit onze menselijke beperkingen. Maar het is altijd een tijdsduur met een begin en een einde.
De teksten waar de diverse bijbelvertalingen een eeuwig oordeel noemen kunnen dus niet worden aangevoerd als argument dat Gods straf eindeloos zou zijn.
Als het oordeel echt eeuwig zou zijn in de zin van eindeloos dan moet dat uit andere bijbelpassages blijken maar die passages zijn er niet.

Het begrip eeuwig staat voor de context waarin het gericht plaatsvindt: ‘betrekking hebbend op de toekomstige eeuw’,

Het Koninkrijk en het Eeuwige leven

Twee begrippen:

  • het Koninkrijk van God,
  • het Eeuwige leven

Deze begrippen hebben in de loop van de kerkgeschiedenis een andere betekenis gekregen. Aanvankelijk waren het verschillende uitdrukkingen voor het  Messiaanse Rijk op aarde. Binnen het christendom functioneren deze begrippen in de sfeer van een hemelse toekomst.
Ik wil de hemel niet ontkennen maar ik ontken wel dat de Bijbelse uitdrukking ‘het eeuwige leven’ betrekking zou hebben op het naar de hemel gaan na het sterven. De christelijke verwachting van de hemel als bestemming wordt ook beleden als een voorlopige verwachting. Er is immers ook de verwachting van de opstanding uit de doden en het ingaan in het Koninkrijk. De verwachting van de opstanding lijkt binnen het christendom wat naar de achtergrond te zijn verschoven.

De noodzaak van een oordeel
Nog een citaat van Paulus over het oordeel van God over degenen die het kwade hebben teweeggebracht:

Rom 2:9-10 (HSV)
Verdrukking en benauwdheid zullen komen over de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt, eerst over de Jood, en ook over de Griek, maar heerlijkheid en eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek.

Ik heb hier bewust de HSV gekozen omdat hier erg letterlijk wordt vertaald: ‘de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt’.

De praktijk van het leven leert dat niet ieder die het kwade werkt tijdens het leven de rekening gepresenteerd krijgt en tot inkeer komt. Vandaar dat er in Psalm 73 geklaagd wordt over de voorspoed van de goddelozen. De SV en de HSV laten terecht de mogelijkheid open dat het oordeel na dit aardse leven plaatsvindt.
Ook in de vroege kerk werd alverzoening niet geleerd in de platte zin van ‘iedereen komt in de hemel’, zonder meer.
Ook Origenes, die zelfs geloofde dat uiteindelijk de duivel gered zal worden, heeft het oordeel indringend geleerd.
Het accent op de alverzoening in de vroege kerk is onmiskenbaar te herleiden tot de aard van Paulus’ prediking binnen het oerchristendom en tot voorstellingen binnen het Jodendom over de loutering van de zielen.

In de Rooms Katholieke traditie is sprake van een ontspannen omgang met deze tradities van de vroege kerk.
Waarschijnlijk komt dat omdat de Rooms Katholieke Kerk naast de hel ook een vagevuur kent:  gelovigen die hun zonden tijdens hun leven niet geheel hebben uitgeboet worden in het vagevuur gelouterd waarna ook zij in de hemel kunnen worden toegelaten.

Binnen de Rooms Katholieke kerk is sprake geweest van een minimale heilsverwachting (Augustinus) en een maximale (Origenes, Theresia van Lisieux, Gregorius van Nyssa, Paus Johannes XXIII, Hans Urs von Balthasar, Karl Rahner en volgens sommigen ook Paus Johannes Paulus II). Ook Paus Benedictus XVI geeft blijk van een neiging richting alverzoening in zijn encycliek Spe Salvi (in hoop gered 2007).

Benedictus gaat ervan uit dat er heiligen zijn en zondaars die alle liefde in hun leven hebben vertrapt, maar dat ‘de ervaring leert dat noch het één, noch het ander het normale geval is in het menselijk bestaan. Bij verreweg de meeste mensen, zo mogen we aannemen, blijft er een laatste, innerlijke openheid voor de waarheid, voor de liefde, voor God, aanwezig in het diepste van hun wezen.’ De ontmoeting met God zal ongetwijfeld een pijnlijke ontmoeting zijn, zo stelt Benedictus, maar:

in de pijn van deze ontmoeting, waarin ons het onreine en zieke van ons bestaan geopenbaard wordt, is redding. Zijn blik, de aanraking van Zijn hart, geneest ons in een ongetwijfeld pijnlijke omvorming “om zo te zeggen, door het vuur heen”. Maar het is een zalige pijn, waarin de heilige macht van Zijn liefde ons brandend doordringt, zodat wij eindelijk geheel onszelf worden en daardoor geheel aan God toebehoren.

De hel en de praktijk van het geloof
Wanneer gaat iemand, volgens de christelijke traditie, naar de hel?

Laat ik ermee beginnen te zeggen dat de prominente christelijke maatstaven door de orthodoxe stroming van het christendom zijn gedicteerd.
Er zijn diverse stromingen binnen het christendom die hier verschillend over denken. In een min of meer ‘vrijzinnige’ context wordt de gelovigen een eigen zoektocht gegund: wat reikt de traditie ons aan en wat kunnen we handhaven in onze manier van geloven en wat niet. Hoe kunnen we de Bijbelteksten opnieuw lezen en vruchtbaar doen zijn in ons persoonlijk leven en ons leven met elkaar.
Historische realiteit is echter dat er in de vroege kerk veel strijd is geweest over de leer en uiteindelijk heeft de orthodoxe stroming die strijd gewonnen. De leer van de orthodoxe stroming komt hier op neer:

Zij die niet geloven in gehoorzaamheid aan de leer van de kerk gaan naar de hel.

Daarnaast heeft het ook te maken met hoe iemand geleefd heeft en de trouw van de kerkgang doet er ook toe.
Een katholiek belijdenisgeschrift dat zowel door de Rooms Katholieke traditie als door de Gereformeerde Reformatie wordt erkend is de geloofsbelijdenis van Athanasius. De eerste twee artikelen van deze belijdenis luiden:

1. Al wie behouden wil worden, heeft voor alles nodig, dat hij het katholieke geloof vasthoudt.
2. Wie dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan.

Deze geloofsbelijdenis gaat over de leer van de drieëenheid.

Gods rechtvaardigheid
En dan is er nog de Bijbelse notie van gerechtigheid. Hoe  zal er in het goddelijke gericht recht gedaan worden, met het oog op de slachtoffers in de wereld.
Hoe zit het met de slachtoffers die niet in Jezus Christus hebben geloofd?
Gaan deze slachtoffers van een hel op aarde rechtstreeks naar een hel in het hiernamaals?
De Rooms Katholieke opvatting is dat de mensen van goede wil, die niet geloofd hebben toch in de hemel kunnen komen.
In het orthodoxe gereformeerde geloof bestaat strikt genomen de categorie ‘mensen van goede wil’ niet. Elk mens is per definitie onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
De slachtoffervraag stellen kan zelfs taboe zijn: ze wordt veelal afgedaan met schijnantwoorden of gepareerd met de mededeling dat God rechtvaardig is en dat wij, zondige mensen, Gods rechtvaardigheid nu eenmaal niet kunnen begrijpen. In Romeinen 3:25,26 echter schrijft Paulus dat God zijn rechtvaardigheid toont aan de mensen. Volgens de apostel Paulus is Gods rechtvaardigheid dus een voor mensen herkenbare eigenschap van God.

Hoe het ene, het geloof, met het andere, de praktijk van het leven, in verhouding staat is binnen het gereformeerde deel van het protestantisme niet geheel helder. Het wettische leven werd via de leer van de rechtvaardiging buiten boord gezet maar als leerregel der dankbaarheid in het derde deel van de Heidelbergse Catechismus via de achterdeur binnenboord gehouden. Waar ligt de grens? Wanneer is iemand vroom genoeg of niet vroom genoeg geweest in het leven? Wanneer is iemand dankbaar genoeg geweest voor de genade en wanneer niet? De reformatorische geloofsbeleving is sterk vatbaar voor een eenzijdig individualistisch accent dat kan resulteren in zwaarmoedig getob over de vraag of het allemaal wel genoeg is geweest.

Ook kunnen gelovigen worstelen met de vraag hoe het nu zit met in ongeloof gestorven familieleden.
Het is merkwaardig dat Paulus en andere apostelen nergens iets hebben geschreven over dit soort problematiek. En in andere delen van de Heilige Schrift valt er niets van te bespeuren. Mijn conclusie is dat het probleem in bijbelse tijden niet bestond.
Het probleem is pas enkele honderden jaren na Christus ontstaan. Door toedoen van prediking van angst en toenemende macht van de kerk.

De hel van C.S. Lewis
Een omvangrijke groep moderne orthodox gereformeerden  heeft gezocht naar een alternatief, los van oude spagaten.
Het gaat dan om kerkleden die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond binnen de PKN, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Binnen deze kerken is ook een alternatieve visie op de hel populair geworden.
Het gaat dan over de opvatting van C.S. Lewis. Lewis leefde van 1898-1963. Hij was in Ierland geboren en werd een Brits schrijver, letterkundige en christelijk apologeet.
Volgens Lewis zijn er twee soorten mensen: zij die wel in Jezus geloven en zij die niet in Jezus geloven. Op die manier ziet Lewis de hel als een zelfgekozen weg. ‘Uw wil geschiede’ zal God uiteindelijk tegen de ongelovigen zeggen. De hel is in die optiek een plaats die niet door God is geschapen en God is daar ook niet. De hel is in de voorstelling van Lewis te vergelijken met een donkere sombere stad waar mensen een naargeestig bestaan leiden en elkaar het leven zuur maken.

Je zou de hel van Lewis kunnen omschrijven als ‘hell-light’.
Het lijkt minder erg omdat de mensen die er verblijf houden hun aardse bestaan met hun normale manier van doen gewoon kunnen voortzetten.
Maar wie dieper nadenkt moet tot de conclusie komen dat het een cynisch verzinsel is: Lewis vergeet met zijn onderscheiding van twee soorten mensen de slachtoffers in de wereld. In een hel als die van Lewis zullen zij evenzeer slachtoffer zijn als tijdens hun aardse leven.
De opvattingen van Lewis hebben bijval gevonden bij de de Amerikaanse predikant Tim Keller. Keller vertegenwoordigt in de Verenigde Staten de zo genoemde ‘nieuwe calvinisten’.
De leer van de uitverkiezing, die toch typisch gereformeerd genoemd kan worden, speelt geen enkele rol meer in deze groep. In de leer van de uitverkiezing, zoals die door Augustinus en Calvijn is gedicteerd, zijn verkiezing en verwerping elkaars tegenpolen. Ben je niet uitverkoren dan ben je voor eeuwig verloren.
Het is een karikatuur van de bijbelse notie van het uitverkoren zijn.
In de Bijbel is een uitverkorene iemand die door God vooruitgeschoven is om een missie uit te voeren. Iemand ie uitverkoren is, is iemand die dient. Andere mensen moeten er bij getrokken worden.

Recente ontwikkelingen
Sinds de laatste decennia wordt er steeds meer getwijfeld aan het bestaan van een plaats waar mensen voor eeuwig gestraft zouden worden voor zonden die ze in een tijdelijk leven hebben begaan. Natuurlijk weten we allemaal van het bestaan van zware misdadigers, de bekende namen zullen vanavond wel genoemd worden    . Maar wat te denken van een eeuwige straf?  De meeste mensen zijn middelmatig, ook in het zondigen. In dat licht wordt een eeuwige hellestraf als buitenproportioneel ervaren.

Kerkelijk bezwaarschrift Daaf Bokhout
Ook in meer behoudende delen van het Christendom is de hel voor een toenemend aantal gelovigen niet langer vanzelfsprekend.
Enkele jaren geleden, in 2008, werd binnen de Protestantse Kerk in Nederland een bezwaarschrift ingediend tegen een belijdenisgeschrift. Het gravamen van dhr. Daaf Bokhout. De reden van het bezwaar was de leer van de eeuwige straf. Dhr. Bokhout wilde de hel afschaffen.
Kerkelijke molens draaien niet altijd snel; de kerkleiding heeft er vier jaar op geploeterd en zat er waarschijnlijk ook mee in haar maag.
Opmerkelijk is dat alles uit de kast werd gehaald om traditionele definities te handhaven. Natuurlijk had dit te maken met belangen: orthodox gereformeerden binnen de PKN moesten binnenboord gehouden worden. Het zou teveel beroering wekken als het bezwaarde kerklid  teveel gelijk zou krijgen. Het spreekt vanzelf dat het bezwaarde kerklid niet zijn zin kreeg. Orthodox gereformeerden binnen de kerk konden opgelucht adem halen.
De synode van de PKN benadrukte uitdrukkelijk dat er in de kerk ruimte is voor  het standpunt van dhr. Bokhout.

Toenemende aandacht voor de hel in orthodoxe gemeenten
Al met al is duidelijk dat in het meer behoudende segment van het protestantisme de leer van de hel nog steeds belangrijk wordt gevonden. Er is de laatste jaren zelfs sprake van een toenemende aandacht. Niet alleen binnen het reformatorische en confessionele smaldeel van de kerk maar ook in een kring als het Evangelisch Werkverband binnen de PKN en sommige vrolijke uitbundige evangelische gemeenten hebben de hel zelfs prominent in hun belijdenisgeschrift staan.

De Gehenna-uitspraken van Jezus
Een veel gehoord argument voor het bestaan van een hel is de stelling dat juist Jezus Christus het meest van alle profeten over de hel heeft gesproken. Los van de vraag of dit waar is kan je daar de vraag tegenover zetten: hoe komt het dan dat Mozes, de profeten en de apostelen er niet over hebben geschreven? Wie de stelling roept heeft een probleem. Jezus deed niets anders dan verwijzen naar Mozes en de profeten. Hoeveel hel kan er dan geweest zijn in de woorden van Jezus? En waarom heeft Paulus de hel nooit genoemd?

In de beide Evangeliën Mattheus en Markus staan een aantal teksten over de Gehenna. In de klassieke bijbelvertalingen staat dit woord steeds vertaald met hel. In de NBG51 vertaling gebeurt dat 12 keer.
De vertalers van de NBG51 hadden oorspronkelijk dit woord niet met hel vertaald maar ze werden teruggefloten door een orthodox gereformeerd kerkgenootschap die dreigde zich uit de commissie terug te trekken.
Dus toch maar weer ‘hel’ voor Gehenna in de NBG51 vertaling. In de NBV komt het woord hel helemaal niet meer voor.

Gehenna betekent letterlijk: dal van Ben Hinnom.
Het is een dal bij Jeruzalem waar in de tijd van de koningen Achaz en Manasse kinderoffers werden gebracht aan de afgod Moloch. Dat was er de oorzaak van dat het dal vervloekt werd.
De aardrijkskundige lokatie ‘dal van de zoon van Hinnom’ is later model gaan staan voor een straf in het hiernamaals. De gehenna-uitspraken van Jezus worden doorgaans ook in die betekenis opgevat.
Het is de vraag of dit terecht is.

Ik geef een citaat

Markus 9:47-48 (NBV)
En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden,
waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.

Vers 48 is een citaat uit:

Jesaja 66:24 (NBV)
Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.

De situatie die genoemd wordt in Jes. 66:24 gaat over het dal van Ben Hinnom bij Jeruzalem. De tekst zegt dat in dat dal lijken worden verbrand. In dat verband wordt gesproken van een knagende worm die niet sterft en vuur dat niet uitdooft.
Hier is geen sprake van een eeuwig vuur in het hiernamaals maar van vuur op een aardse locatie. Er worden geen zielen getuchtigd maar lijken verbrand.

De centrale missie van Jezus
Het is van belang om hier de missie van Jezus te begrijpen.
Jezus roept op tot een radicale levenspraktijk volgens de Thorah. Dit houdt verband met de komst van het Koninkrijk dat aanstaande was. Het Koninkrijk zal doorbreken als het volk gehoorzaam Jezus navolgt. Het Koninkrijk zal uitgesteld worden als het volk niet navolgt. Uiteindelijk is het Koninkrijk niet gekomen en is het volk in ballingschap gegaan.
Er is in de tekst geen ruimte voor een grijs gebied tussen navolgen en niet navolgen. Niet navolgen uit zich uiteindelijk in het willen blokkeren van het Rijk van God. Jesaja 66:24 beschrijft het lot van de opstandelingen.
De Gehenna-uitspraken van Jezus staan in die context en gaan daarom niet over brandende zielen in een hiernamaals.

De diaspora
Diverse keren heeft Jezus de situatie van de diaspora genoemd:

Lukas 21:24 (NBV)
De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.

Matth 8:11-12 volgens de lezing van de Codex Sinaïticus
Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen; 12 maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgaan (exeleusontai = uitgaan) naar het uiterst duistere (ekblethesontai); daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

Doorgaans wordt er in de vertalingen gesproken van uitwerpen in de buitenste duisternis. De Codex Sinaïticus heeft hier een ander woord waarbij geen sprake is van uitwerpen maar van uitgaan. Deze lezing houdt in dat de kinderen van het Koninkrijk – het volk Israël – zelf uitgaan en  dus niet worden uitgeworpen. Waarheen gaat het volk? Het volk gaat in de verstrooiïng, de diaspora. De situatie van de diaspora is voor Israël een uiterst duistere situatie geworden. In deze tekst wordt die situatie getypeerd met de woorden ‘geween en tandengeknars’.

De vuurpoel
In de Openbaring aan Johannes is op diverse plaatsen sprake van de poel die brandt van vuur en zwavel.

Er zijn verschillende benamingen :

  • de poel van vuur en zwavel
  • de poel die brandt van vuur en zwavel
  • de vuurpoel

Deze poel is een zinspeling op de Dode Zee. De Dode Zee en de directe omgeving staan in verband met de steden Sodom en Gomorra waarvan we lezen in het boek Genesis. In het oordeel dat beschreven wordt in de Openbaring aan Johannes worden de dood, het dodenrijk, ‘het beest en de valse profeet’ in de vuurpoel geworpen.
Uiteindelijk ook allen die niet geschreven zijn in het boek van het leven.
Als we de Nieuwe Bijbelvertaling en vele andere bijbelvertalingen moeten geloven blijft de vuurpoel bestaan tot in eeuwigheid. Soms zelfs wordt vertaald ‘tot in alle eeuwigheden’. Letterlijk staat er echter: ‘tot in de eeuw van de eeuwen’. Het gaat hier om de voltooiïng.
De eeuw van de eeuwen is de finale eeuw, waarin alle dingen hersteld worden: het zijn de tijden van de wederoprichting van alle dingen, ook genoemd in Hand. 3:21. De beeldspraak sluit aan op de profetie van Ezechiël over de tempelbeek (Ezech. 47:8) Het water stroomt vanuit de tempel van het Nieuwe Jeruzalem door de oostelijke landstreek, dan naar beneden de Jordaanvalei in, en mondt uit in de Dode Zee. Wanneer het de zee instroomt wordt het water zoet.
Een parallel van dit gebeuren is te lezen in Openb. 22:1-2, waar het gaat over een rivier van levend water, die ontspringt aan de troon van het Lam. In Openb 22:2 is sprake van een genezend proces: de bladeren van de levensboom dienen tot genezing van de volkeren.

Lazarus en de rijke man
Jezus vertelde de gelijkenis van Lazarus en de rijke man in een heel speciale context. De gelijkenis werd door Jezus verteld direct naar aanleiding van de reactie van de Farizeeën op de gelijkenis over de corrupte rentmeester. Ik beperk de lezing tot de gelijkenis van Lazarus en de rijke man, voorafgegaan door de woorden die volgen op de gelijkenis van de corrupte rentmeester.

Lucas 16:10-31
10 Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. 11 Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? 12 En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
14 De farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor hem op. 15 Maar Jezus zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen altijd voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God.
16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen. 17 Maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat er ook maar één tittel van de wet wegvalt. 18 Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt overspel.
19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

Een belangrijk detail in het verhaal is de naam Lazarus. Waarom die naam? En waarom heeft de rijke man geen naam? Of is de identiteit van de rijke man misschien niet direct zichtbaar?
Een onbekend iemand kan aan de hand van bepaalde kenmerken worden geïdentificeerd. Kleding bijvoorbeeld: de rijke man draagt purperen gewaden en fijn linnen. Purperen gewaden werden in Bijbelse tijden gedragen door koningen (Esther 8:15),  fijn linnen door priesters (Exodus 28:5).
De rijke man wordt ‘kind’ genoemd in de tekst: kind van Abraham’. En later blijkt nog eens dat hij vijf broers heeft, net als de stamvader Juda, die vijf broers had. Allen zonen van stammoeder Lea. Dat waren Ruben, Simeon, Levi, Issakar en Zebulon.
De rijke man draagt koningskleding en priesterkleding. Het is een verwijzing naar het volk Israël dat tot roeping heeft een koninkrijk te zijn van priesters ten behoeve van de volkeren (Exodus 19:6).
Er is geen grotere tegenstelling denkbaar met Lazarus. Zijn huid was overdekt met zweren en honden die zijn zweren likten waren zijn enige gezelschap. Deze onreine man staat voor de onreine heidenen, de volkerenwereld. Lazarus draagt dezelfde naam als die van de Aramese knecht van Abraham, Eliëzer.

Met dit decor zet Jezus de denkwereld van de geestelijke elite van Zijn tijd totaal op zijn kop. In hun optiek is een kind van Abraham, een Jood, vanzelfsprekend bestemd voor het paradijs. Heidenen, niet-joden zijn onrein. Zij gaan na hun dood een vuuroordeel tegemoet. Het is een zelfvoldaan wereldbeeld dat Jezus hier op de hak neemt. In het wereldbeeld van de geestelijke elite was geen plaats meer voor de oorspronkelijke missie van Israël ten behoeve van de volkeren. Fijntjes staat het vermeld in het verhaal: Lazarus hoopt zijn maag te vullen met wat er overblijft van de tafel van de rijke man. Het is de essentie van het uitverkoren zijn als volk van God. Het is de missie van Israël het licht van de Thorah te laten schijnen naar de volkeren. Maar Lazarus krijgt niets om zijn maag te vullen.

De beschrijving van het vuuroordeel dat de rijke man moet ondergaan kan zo weggelopen zijn uit de voorstellingswereld van de Talmoed, de uitleg van de Thorah waar de Farizeeën bijzonder aan waren gehecht. Dat geldt ook de voorstelling waarbij Lazarus door engelen gedragen werd tot aan Abrahams hart. Eveneens de wijde kloof tussen de diverse delen van het dodenrijk is Talmoedisch.
Deze voorstellingswereld is niet te herleiden tot de Hebreeuwse bijbel. Het is de voorstellingswereld van de Farizeeën die hier door Jezus wordt gehanteerd.

Niet de Talmoed is hier uiteindelijk richting gevend, maar ‘Mozes en de profeten’, de Hebreeuwse bijbel. De rijke man smeekt Abraham om Lazarus naar zijn vijf broers te sturen. Hij wil dat zijn broers gewaarschuwd worden voor dit oord van kwelling. Zij hebben Mozes en de profeten, zo luidt het antwoord van Abraham.
In de boeken van Mozes en in de boeken van de profeten echter is helemaal niets te lezen over een plaats als hier beschreven wordt.

De spits van het verhaal blijft gericht op de eigenlijke missie van Israël, een licht te zijn onder de volkeren en dat is iets dat moet worden gepraktiseerd in het leven op aarde. En daarover is wel te lezen in Mozes en de profeten.
In de tekst van de NBV wordt de plaats in het dodenrijk  ‘dit oord van martelingen’ genoemd. En inderdaad kan het griekse woord βασανισμος (basanismos) marteling betekenen. Het grondbegrip  βασανος (basanos) echter staat primair voor een toetssteen waarop goud wordt beproefd.

Dit woord benadrukt het louterende doel van het vuur. De vraag van de rijke man om zijn vijf broers te waarschuwen geeft er blijk van dat de toetssteen effectief is.

De rijke man dacht tijdens zijn aardse bestaan altijd alleen aan zijn eigen belang.
Net als de Farizeeën, die in de tekst geldzuchtig worden genoemd.
De rijke man keek niet om naar de doodzieke Lazarus die honger leed aan zijn poort en liet de zorg voor Lazarus over aan de honden. Merkwaardig is dus nu de switch die de rijke man maakt. Nu bekommert hij zich al om zijn broers. Hij gaat er op vooruit.

Tenslotte vraagt de rijke man of Lazarus uit de dood mag opstaan om zijn broers te waarschuwen. Hij laat het er niet bij zitten en dring dus zeer aan. De gedachte is dat er zeker geluisterd zal worden als er iemand uit de dood opstaat. Abraham benadrukt: als zij niet luisteren naar Mozes en de Profeten zullen ze ook niet luisteren als er iemand uit de dood op staat.
Merkwaardig genoeg staat er in één van de Evangeliën inderdaad een Lazarus op uit de dood (Joh 11:11). Een hoofdstuk verder staat vermeld dat de hogepriesters beraamden om Lazarus te doden(Joh 12:9-11).

Evenredigheid van straf en de goddelijke proporties.
Het is een goed Joods gebruik om een verhaal positief te eindigen. Er is alle reden om dat ook te doen bij een verhaal over hel en oordeel.

Een aantal Bijbelpassages benadrukken een evenredigheid van straf naar de mate van het kwaad dat heeft plaatsgevonden. De straf heeft een totdat: evenals in de gelijkenis van de schuldenaars:
een schuldenaar kreeg zijn schuld kwijt gescholden. Maar hij had geen medelijden met een man die hem iets schuldig was. Die man moest hem tot de laatste cent betalen.
De schuldeiser van de ondankbare schuldenaar hoorde daarvan.
En dan staat er in

Matt 18:34-35
En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald
Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’.

Ook Jezus wist dus van een ‘totdat’.
Als illustratie noem ik de profetie van Amos. God doet recht aan de slachtoffers. Zo oordeelde God de koning van Edom omdat dit volk van geen ophouden wist en onverzadigbaar was in het oorlog voeren:

Amos 1:11-12 (Naardense Bijbel)
Zo heeft gezegd de Ene:
om drie misstappen van Edom
of om vier, zal ik hem niet kerkeren,-
maar wel omdat hij met het zwaard
zijn broeders achtervolgd heeft
en zijn ontferming heeft vernietigd;
zijn toorn blijft voor altijd verscheuren
en zijn verbolgenheid is immer waakzaam
ik zal een vuur uitzenden in Teman,-
dat Botsra’s paleizen zal verteren!

God maalt niet om drie of vier misstappen van Edom. Maar een mateloze toorn, die van geen ophouden weet, van Edom tegen zijn broeder is er de oorzaak van dat God actie onderneemt tegen de koning van Edom.

Als God rechtvaardig oordeelt handelt God volgens zijn eigen principe. En nergens staan de goddelijke proporties van gericht en goedheid zo kernachtig verwoord als in:

Psalm 30:6 (SV)
Want een ogenblik is er in Zijn toorn,
maar een leven in Zijn goedgunstigheid;
des avonds vernacht het geween,
maar des morgens is er gejuich

En als u de tekst liever in de NBV hoort:

Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

Geplaatst in Actualiteit, Alverzoening, Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Hete hangijzers, Israël-debat, Nieuwe Testament, Oude Testament | 4 reacties