Als een dief in de nacht!?

In het Reformatorisch Dagblad van woensdag 24 augustus 2016 staat een verslag over de tweede dag van een studieweek van de Gereformeerde Bond. Te gast is die dag de vrijgemaakt gereformeerde hoogleraar, prof. dr. P.H.R. van Houwelingen.

Thema is de eindtijd. Aan het eind van het RD verslag vraagt een student zich af waar toch het verlangen vandaan komt om met allerlei modellen de wederkomst te berekenen. Deze student neemt een dergelijk verlangen waar in diverse hervormd-gereformeerde gemeenten.  Nu kan ik me niet goed voorstellen dat er in hervormde gemeenten druk gerekend wordt met het oog op de dag van Jezus’ wederkomst. Tenminste niet in de zin van een datum berekenen. De student die de vraag stelt heeft het over ‘modellen’. Het gaat hem  waarschijnlijk over schematisering van de bijbelse gegevens over de eindtijd, bijvoorbeeld aan de hand van de tekenen der tijden en apocalyptische passages in Zacharia, Daniël en de Openbaring.

Over bepaalde schema’s die er bestaan valt natuurlijk veel te zeggen en er valt ook zeker kritiek op te leveren. Van Houwelingen meent dat er voorzichtigheid geboden is bij het spreken over de eindtijd.  Daar heeft hij zeker wel een punt. Maar het antwoord van prof. Van Houwelingen schiet in bijbels opzicht te kort:

Het komt voort uit de behoefte om te weten “hoe en wat”. Maar Jezus komt als een dief in de nacht…

Ik weet, deze tekst uit 1 Thessalonicenzen 5 wordt niet zelden maar half geciteerd. Ook hier weer. Er staat niet zomaar generaliserend dat Jezus voor alle mensen zal komen ‘als een dief in de nacht’. Dat geldt namelijk volgens Paulus alleen voor degenen die in de duisternis wandelen… En Van Houwelingen gaat er helemaal aan voorbij dat het rangschikken van Bijbelse gegevens over de eindtijd een voluit legitieme bezigheid is. Lees het maar in 1 Thess 5:1-6.

1. Maar over de tijden en gelegenheden,  broeders, is het niet nodig dat u geschreven wordt: 2.  immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht. 3. terwijl zij zeggen: het is [alles] vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen.

4. Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou; 5. want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe. 6. Laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn.

Dat klinkt totaal anders dan de woorden van Van Houwelingen, die nogal trots is op zijn gereformeerde traditie. Na het halve citaat uit 1 Thess. 5:2 genoemd te hebben brengt hij dat zo onder woorden:

het is dus maar goed dat de gereformeerde traditie zich verre houdt van berekeningen… want gereformeerd zijn is gewoon normaal de Bijbel lezen.  

Merkwaardig dat Van Houwelingen juist op deze passage in zijn betoog veel bijval oogstte in de vorm van hilariteit. Ik begrijp de hilariteit niet. En waarom rust er steeds weer een taboe op het willen weten van ‘hoe en wat’? Het is toch niet meer dan gezond om met die vraagstelling  bijbelse gegevens serieus te bestuderen? De verwachting van een spoedige wederkomst, in de sfeer van alsof dat elke nieuwe dag kan gebeuren, leeft breed onder gereformeerde en reformatorische christenen. Daar geldt niet minder de vraag van ‘is deze verwachting wel bijbels legitiem?’ Het is in elk geval niet minder een kwestie van berekening en niet minder vrijmoedig dan wat sommige evangelische christenen ons willen voorrekenen. 

Ik denk dat er sprake is van een vorm van verlegenheid. Wat dan nog resteert is een  gelijkschakeling van alle mensen, inclusief diegenen die in het licht wandelen, alsof ook voor hen  zou gelden dat Jezus komst zal zijn als een dief in de nacht. De diepte van de tekst van I Thess. 5:2 vraagt om meer antwoord op waar het hier om gaat.

Zoek dan ook naar dat antwoord! 

Geplaatst in Actualiteit, Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Nieuwe Testament | Een reactie plaatsen

Job – Esther – Nehemia

 

Job – Esther – Nehemia (Leeshulp bijbeluitdaging 2015 Breukelen en Maarssen 1])

Nehemia 8-13
Esther
Job 1-15

Job – Esther – Nehemia <> Lijdensweg – Ballingschap – Hoop
De volgorde van de afzonderlijke boeken van de Tenach is in de meeste christelijke bijbels anders dan die in de Joodse, de Hebreeuwse bijbel 2]. Ik oriënteer me graag op de originele Hebreeuwse volgorde, die van Thorah, Profeten en Geschriften. De meeste christelijke bijbels hanteren een volgorde die gerelateerd is aan de chronologie van de geschiedenis van Israël. Deze historische focus is bepaald niet een gelukkige invalshoek bij de rangschikking van bijbelboeken 3] maar het is dan wel weer een gelukkige bijkomstigheid dat Esther, na Nehemia grenst aan het eerste boek binnen een reeks van vijf poëtische geschriften: Job, met daarop volgend de Psalmen, de Spreuken, de Prediker en het Hooglied. Dat brengt mij in de gelegenheid om Nehemia, Esther en Job op een oorspronkelijke manier met elkaar te verbinden. Daarbij komt het mij heel goed uit om de omgekeerde volgorde aan te houden: Job – Esther – Nehemia. ‘Heel toevallig’ ook de volgorde waarop ik die boeken aan het eind van de Hebreeuwse bijbel aantref, met andere boeken daar tussen. De trefwoorden die ik aan de combinatie Job – Esther – Nehemia meegeef zijn: Lijden, Ballingschap en Hoop.

De betekenis van Job in relatie tot de Messias van Israël
De meest voorkomende opvatting over het boek Job is dat het hier gaat om een literair geschrift in poëtische vorm zonder historische pretenties. Een soort parabel; een gelijkenis.
Dat er in en buiten het boek ook aanwijzingen voorkomen die een historische setting suggereren hoeft daar niet mee in strijd te zijn (22:16 – zondvloed? – Ezechiël 14:20 – Job als historische figuur?).
In het voordeel van een typologische strekking pleiten een aantal aanwijzingen in het boek zelf. In 1:10 is sprake van een beschermde positie van Job; Satan verwijt God dat Hij een ‘omtuining‘ rond Job heeft gemaakt. God zou Job geplaatst hebben in een bevoorrechte positie. Hoewel Satan hier een karikatuur maakt door de uitverkoren positie als comfortabel voor te stellen is hier toch zeker wel sprake van een duidelijke parallel met de positie van het volk Israël als uitverkoren volk tussen de andere volkeren.
Het zijn vooral Joodse exegeten die Job zien als een typologische figuur. In Job 1:6-12 is Satan de aanklager van Job terwijl hij elders in de Bijbel de aanklager is van het volk Israël (Openbaring 12:10) 4]. En als zodanig beproeft hij in het Evangelie ook Jezus (Mattheus 4:1vv). Maar de parallel met Jezus gaat nog veel verder. In het Joodse mystieke boek De Zohar is Job zelfs de zondebok die plaatsvervangend lijdt vanwege de zonde van het volk (Zohar II, 32b) 5]. Evenals Job niet losgemaakt kan worden van Israël als lijdende knecht staat veel later ook de missie van Jezus als lijdende knecht niet los van die van het Joodse volk waar hij deel van uitmaakt. Op dezelfde manier heeft de profetie van de lijdende knecht in Jesaja 53 primair betrekking op het lijden van het Joodse volk ten behoeve van de volkeren en uiteindelijk ook op het plaatsvervangend lijden van de Messias van Israël 6]. Ook de missie van de Joodse apostelen onder de volkeren bracht plaatsvervangend lijden met zich mee en Paulus zag ook dat lijden in het perspectief van het lijden van Jezus (Kolos 1:24) 7].

Job – lijden
Het onvoorstelbare van het Joodse lijden wordt in het boek Job zonder omhaal benoemd. Het steekt af tegen de goedkope troost die Job van de kant van zijn drie vrienden moet aanhoren.
Er is dan ook het protest in Job 6-7, dat hij laat horen aan het adres van zijn vrienden. Zelfs is er sprake van een heftig protest aan het adres van God zelf (Job 7:17-21).
Het laatste doet denken aan het indrukwekkende tribunaal dat gevangenen in Auschwitz organiseerden tegen God. Het verhaal is van Elie Wiesel. Getuigen verhaalden over de gruwelen van de wereld die God had geschapen, inclusief Auschwitz zelf. Er werd geredetwist over Gods verantwoordelijkheid voor die gruwelen. En uiteindelijk kwam het vonnis: God was schuldig op alle punten van de aanklacht. Het verhaal eindigt met het traditionele ochtendgebed. Iets wat we ook bij Job tegen komen: “Zie, hij wil mij doden, ik verwacht niets,- evenwel zal ik mijn wegen bij zijn aanschijn bepleiten! (Job 13:15, Naardense Bijbel)”. Of zoals een rabbijn het zei tijdens een herdenking in Westerbork: wij weten niet waarom u ons dit liet overkomen. Er rest ons niets anders dan uw grote Naam te loven.

Esther – ballingschap
De naam Esther betekent: ‘ik zal mij verbergen’. De enige plaats in de bijbel waar het woord Esther ook voorkomt is Deuteronomium 31:18. Het is daar vertaald met: ‘ik zal mij verbergen’. Deut. 31 gaat over de ballingschap van het volk. Het verhaal van Esther is bedoeld als ballingschapsverhaal dat ook de tekenen van de verlossing vertelt.
Esther houdt aanvankelijk haar afkomst verborgen. En ook lijkt God in dit Bijbelboek de grote afwezige. Nergens in dit boek komt het woord God voor 8]. Het gebeuren in Esther wordt ‘Purim’ genoemd. Dat wil zeggen: ‘via het lot’. Via het toeval! Niets wordt aan God gerelateerd hoewel zelfs een verstokte atheïst bij het lezen van het verhaal van Esther bijna aan God zou gaan denken. Dit gegeven, de verborgen God, is typerend voor de ballingschap. Het verhaal speelt zich af in Perzië. De tempel in Jeruzalem is verwoest en het volk is weggevoerd naar Babylon.
In Esther dreigt al het onheil dat in Deuteronomium 31 vermeld wordt werkelijkheid te worden. In die situatie verbergt Esther haar afkomst. En dan is er de Jood Mordechai. Hij is zichtbaar aanwezig in de poort. Hoewel deze merkwaardige figuur altijd alleen is. Iemand als Mordechai kan nu eenmaal niet anders dan alleen zijn. Mordechai is de verlosser die niet wordt gezien, niet wordt herkend. Mordechai is de wijze, de rechtvaardige; stil en bescheiden. Maar het kan niet anders of de jodenhater Haman herkent Mordechai wel. En dan komt de crisis! Als Haman een paal opricht om Mordechai aan op te hangen wordt hij vernederd. Heel toevallig (!) omdat de koning na een slapeloze nacht alsnog Mordechai wil belonen omdat deze ooit een staatsgreep had verijdelt. Dit is het begin van de val van Haman (Esther 6:13-14) die zal leiden tot de redding van de Joden en de verhoging van Mordechai (Esther 10).

Nehemia – hoop
In de boeken Ezra en Nehemia gaat het over de terugkeer van de Joden naar het land Israël. Vanaf Nehemia 8 heeft het onderricht in de Thorah door Ezra de Schriftgeleerde prioriteit. Het werk van Ezra en Nehemia zou je in dit opzicht een aanzet kunnen noemen tot het latere Farizeïsme. Het woord Farizeeër heeft bij ons een negatieve klank. Dat is echter ten onrechte. De Talmoedische wetspraktijk van de Farizeeën was, afhankelijk van de diversiteit die er in die groep bestond, min of meer formeel. Maar een belangrijk doel van de strengheid ervan was het voortbestaan van het Joodse volk in een tijd van politieke spanningen. Bovendien was het aantal teruggekeerden tijdens Ezra en Nehemia uiterst gering. Het hoofddoel van Ezra en Nehemia was een vrome trouw aan het verbond die alleen mogelijk was bij een trouwe naleving van de Thorah. De terugkeer naar het beloofde land was een teken van hoop met het oog op de verlossing. Zij het dat er sprake was van een getemperde hoop. Bang als men was voor overspannen verwachtingen die ook weer politieke spanningen konden veroorzaken. Dit was dan ook de reden waarom de Farizeeën uiterst terughoudend waren ten overstaan van Jezus, een Rabbi die veel aanhang had onder de nakomelingen van degenen die de ballingschap niet hadden meegemaakt: het deel van het volk dat dus geen Talmoedische wetbetrachting praktiseerde. In de optiek van de Farizeeën dus “het volk dat de wet niet kende” (Joh 7:49).

—————–

1. De bijbeluitdaging 2015 is een initiatief om in één jaar de hele bijbel door te lezen. Het project is gestart n.a.v. de verschijning van de Bijbel in Gewone Taal. Voor elke leesweek wordt een leeshulp geschreven. Deze leeshulp is door mij geschreven voor de leesgroep Maarssen en Breukelen.

2. Er is mij slechts één uitzondering bekend: de Naardense Bijbel hanteert voor de Tenach de volgorde van de hebreeuwse bijbel. Deze bijbel hanteert echter niet de oorspronkelijke volgorde van de geschriften van de boeken van het Nieuwe Testament.

Volgorde boeken Tenach
Thorah / Wet * Genesis – Exodus – Leviticus – Numeri – Deuteronomium
Nevi’im / Profeten * Jozua – Richteren – 1 Samuel – 2 Samuel – 1 Koningen – 2 Koningen – Jesaja – Jeremia – Ezechiël – Hosea – Joël – Amos – Obadja – Jona – Micha – Nahum – Habakuk – Sefanja – Haggai – Zacharia – Maleachi
Ketoevim / Geschriften * Psalmen – Spreuken – Job – Hooglied – Ruth – Klaagliederen – Prediker – Esther – Daniël – Ezra – Nehemia – 1 Kronieken – 2 Kronieken.

Oorspronkelijke volgorde boeken van het Nieuwe Testament
Jezus en de Apostelen * Mattheus – Markus – Lukas – Johannes – Handelingen
Brieven aan de besnijdenis * Jacobus – 1 Petrus – 2 Petrus – 1 Johannes – 2 Johannes – 3 Johannes – Judas.
Brieven van Paulus * Romeinen – 1 Corinthiërs – 2 Corinthiërs – Galaten – Efeziërs – Filippenzen – Kolossenzen –
1 Thessalonicenzen – 2 Thessalonicenzen – Hebreeën – 1 Timotheus – 2 Timotheus – Titus – Filemon.
Apocalyps * Apocalyps van Johannes.
[Bron: Novum Testamentum Graece – J.M.S. Baljon]

3. De volgorde van de Bijbelboeken in de christelijke canon kan zelfs funest genoemd worden voor het goed verstaan van de Schrift.

4. In Openb. 12 treedt Michaël op als verdediger van Israël. De vrouw in 12:1 staat voor Sion.
*De Pseudepigrafen, Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja. Vertaald, ingeleid en toegelicht door M. de Goeij, p93, n.a.v. IV Ezra 9:38-10:24]
*H. Strack und P. Billerbeck – Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Dritter Band, S812.

5. The Zohar, Volume III, p105, Edition The Soncino Press. translated by: Harry Sperling, Maurice Simon and Dr. Paul P. Levertoff

6. Een dergelijke visie is Joël Marcus toegedaan in Jezus en de Holocaust, bespiegelingen over lijden en hoop. 1998, Ten Have, hoofdstuk: de lijdende knecht.

7. Paulus geeft ook elders blijk van een visie op het plaatsvervangend lijden door israël, met4 name in II Corinthiërs 4:12,15 > Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u. Want het geschiedt alles om uwentwil, opdat de genade toeneme en door steeds meerderen overvloediger dank worde gebracht ter ere Gods.

8. Met name niet in de Hebreeuwse versie. De tekst van de Septuagint (LXX) is uitgebreider.

——-

LITERATUUR

Bijbeluitgaven
Baljon, J.M.S. – Novum Testamentum Graece – J.B. Wolters, 1898.
Naardense Bijbel – vertaler: ds. P. Oussoren – negende druk, dundrukeditie – Skandalon, 2014.

Judaïca
The Zohar – Editie Harry Sperling, Maurice Simon en Dr. Paul Levertoff – Soncino Press, 1970
Strack, Hermann L. / Billerbeck, Paul – Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Band III u IVb
Weinreb, F. – Ik die verborgen ben. Oude overleveringen vertellen van het geheim van het Esther-verhaal – De Ster, 1997.

Andere bronnen
Goeij, M. de – De Pseudepigrafen, Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja. Vertaald, ingeleid en toegelicht. Kok Kampen, 1980.
Graaff, Dr. F. de – Jezus de Verborgene. Een voorbereiding tot inwijding in de mysteriën van het evangelie – Kok Kampen 1987.
Marcus, Joel – Jezus en de Holocaust. Bespiegelingen over lijden en hoop – Ten Have 1989.
Ouweneel, Willem J. – Het Jobslijden van Israël. Israëls lijden oplichtend uit het boek Job. – Medema, 2000.

Geplaatst in Bijbelse theologie, Israël-debat, Nieuwe Testament, Oude Testament | Een reactie plaatsen

De vrijzinnige revolutie

Een blog waarin de geestelijke situatie binnen de PKN buitengewoon raak wordt getypeerd!

Koinonia - Christus belijden

De vrijzinnige revolutie is voltooid. Ook de oecumene is nu exclusief een aangelegenheid van vrijzinnigen geworden. Het evangelie is definitief naar het rijk van de “zingevingsverhalen” verwezen. We evangeliseren niet meer, omdat we de waarheid niet hebben. We nemen de theologie niet meer serieus, want die is te zwaar. We doen samen de “leuke dingen” zonder te weten waarom en waartoe en de Bijbel lezen we zoals wij het willen: selectief, maar vooral “nauwelijks.”

View original post 1.309 woorden meer

Geplaatst in Bijbelse theologie | Een reactie plaatsen

Het protestantse Avondmaal in relatie tot de Joodse traditie

Het begrip Avondmaal
In de hele bijbel komt het woord ‘avondmaal’ niet voor. Tenminste, niet in de vertaling van 1951. In de statenbijbel komt het woord vijftien maal voor.  In vier gevallen gaat het om de paasmaaltijd die Jezus met Zijn discipelen hield, vlak voor Zijn sterven (Lucas 22:20, Joh 13:12 en 4 en 21:20).
In 1 Kor 11:21 gaat het om een soort liefdemaal dat aan een plechtige viering voorafging. Die plechtige viering wordt in 1Kor 11:20 en 25 gemotiveerd met het paasmaal dat Jezus met zijn discipelen vierde. Deze gebeurtenis wordt dan ook doorgaans genoemd: ‘de instelling van het avondmaal’.

Drie maal gaat het om een toekomstige maaltijd: ‘de bruiloft van het Lam’, bij het aanbreken van het Koninkrijk van God (Openb 3:20, 19:9,17).

In alle andere gevallen is het verwisselbaar met ons woord maaltijd.
In alle vijftien gevallen is er sprake van het zelfde griekse woord in de grondtekst, dat gewoon vertaald moet worden met ons begrip ‘maaltijd’.
Wat daar verder ook over te zeggen valt; één ding is duidelijk: dat er in de bijbel geen enkel woord staat dat uitsluitend de betekenis heeft van ons woord avondmaal. Het woord avondmaal, zoals het in de statenbijbel voorkomt, wordt gebruikt voor een feestelijke maaltijd die een koning voor zijn genodigden hield (Lucas 14), maar ook voor een gewone maaltijd, zoals Martha aan Jezus en zijn leerlingen voorzette (Joh 12:2).

Het begrip ‘avondmaal’ heeft in de orthodox gereformeerde traditie een heel zwaarwegende betekenis gekregen. Dat heeft verschillende oorzaken. Calvijn was voorstander van een wekelijkse viering. Dat is nooit praktijk geworden in de calvinistische kerken. Om de vieringen heen is een geladen traditie ontstaan met censura morum, voorbereiding, nabetrachting en een formulier. Door deze gang van zaken is het alleen mogelijk om zo af en toe avondmaal te vieren. Dat brengt wel met zich mee dat, ondanks de met de mond beleden “eenheid van de sacramenten”, er een zeer geladen sfeer rond het avondmaal hangt. Mijn bedoeling is om onze traditie aan de bijbelse gegevens te toetsen.

Bij nauwgezette lezing van de bijbelse gegevens blijkt dat het laatste paasmaal dat Jezus met Zijn leerlingen vierde een strikt interne Joodse aangelegenheid was. De bijbelse gegevens laten er geen misverstand over bestaan dat Jezus en Zijn discipelen een gewone Joodse seideravond hebben gevierd. Hoe het paasfeest in de tempel gevierd werd vermelden de evangeliën nergens. De in de ballingschap ontstane viering van de seideravond is een huiselijke variant van de paasmaaltijd. Het valt op dat Jezus enkele formuleringen toepaste die ingrijpend anders waren dan de traditionele joodse formules. Wat was de bedoeling van Jezus binnen het kader van de joodse viering? Wat heeft dit alles voor gevolgen voor onze christelijke viering? En hoe kunnen wij onze christelijke viering motiveren op grond van deze laatste seideravond die Jezus met Zijn discipelen vierde.

Maaltijd houden
Het houden van maaltijd met elkaar heeft een duidelijk bijbelse achtergrond. Als we de teksten daarover lezen vallen er verschillende dingen op.

Gastvrijheid. Denk maar aan de drie mannen die bij Abraham op bezoek kwamen, vlak voor de ondergang van Sodom en Gomorra. Abraham zette hen een maaltijd voor omdat de gastvrijheid dat min of meer vereiste (Gen 18:1-18). Nu zitten aan die gastvrijheid meerdere kanten. Wie gasten uitnodigt om eer te ontvangen en aan anderen wil laten zien hoe rijk of machtig hij wel is, is geen goede gastheer. Een gastheer moet uit spontane overweging gastvrijheid verlenen in de wetenschap daarmee iets goeds aan een ander te doen. Werkelijke gastvrijheid heeft iets met nederigheid te maken. Ik doe een stapje opzij, zodat jij het bij mij goed hebt. Jezus bracht deze houding volledig in praktijk door vlak voor het paasmaal zelf de voetwassing te verzorgen.

In de tweede plaats dient de bezoekende gast zich ook als gast te gedragen. Niet kruiperig of dankjewellerig, maar ook niet arrogant. Dus niet: ‘waar heb ik dit aan verdiend’, maar ook niet ‘deze ontvangst is te min voor mij’. Onaanvaartbaar is het om de gastvrijheid af te slaan of af te wimpelen. Daarmee sla je de gastheer in het gezicht.

Gelegenheidsmaaltijden
Maaltijden worden vaak gehouden ter gelegenheid van de grote feesten. Geen feest zonder maaltijd en dat is nu ook nog steeds zo. En ook hier geldt: je nodigt feestgangers alleen maar uit om feest mee te vieren en niet om het feest te bederven. De gasten dienen hun gastheer eer te bewijzen. Denk maar aan de gelijkenis van de koning die een groot feest wilde houden (Lucas 14) en de maaltijd ter gelegenheid van de terugkeer van de verloren zoon in Lucas 15.

Een maaltijd wordt in de bijbel ook gehouden als dankbetuiging voor zijn weldoener. Levi de tollenaar richt na zijn roeping een maaltijd aan voor Jezus en Zijn volgelingen. En tegen Zacheus zegt Jezus: Ik moet heden in uw huis zijn: Lucas 19:5. En Hem wordt verweten dat Hij met tollenaren, zondaren en hoeren eet en drinkt. Daarbij is onmiskenbaar het element van dank en aanvaarding van groot belang.

Maaltijden worden, zeker in het Oude Testament veelvuldig gehouden als bezegeling van een verbond. Het verdrag tussen Abimelech en Isaak wordt bekrachtigd met een maaltijd. Ook Jacob en Laban sluiten een verbond en besluiten dat met een maaltijd.

Het Oude Testament en onze vieringen
Er zijn twee heel bijzondere maaltijden in het OT die beide doorklinken in onze vieringen. De eerste is de paschamaaltijd. Pascha betekent voorbijgaan of ergens overheen stappen. De paasmaaltijd van het Hebreeuwse volk staat dus in het teken van voorbijgaan. Het leven van verdrukking en slavenarbeid was gelukkig van voorbijgaande aard. Maar meer nog betekent het dat de engel des doods aan die deur zou voorbijgaan waaraan hij het bloed van het paaslam aan zou treffen. Wie de maaltijd van pascha gebruikt, wordt gered. Alleen moet je wel de buitenkant van de deur met bloed bestrijken. In de voorschriften worden steeds drie zaken genoemd: het offerlam, de ongezuurde broden en de bittere groenten. Tot op de dag van vandaag nemen juist de twee laatste onderdelen een belangrijke plaats in bij de Joden. Ze herinneren aan de slechte barre rijden in Egypte. Het is een voorgeschreven maaltijd. Dat is iets bijzonders. Nergens is op een andere plaats in de bijbel sprake van een verplichte maaltijd met een verplicht menu. In die verplichte maaltijd komen vier aspecten samen.

  • God wil niets liever dan gastheer zijn.
  • Het feest van de bevrijding uit Egypte komt tot uitdrukking.
  • Het biedt het volk de mogelijkheid om in combinatie met de andere aspecten , zijn dankbaarheid te bewijzen.
  • Het duidt op de wederzijdse verplichting er voor elkaar te zijn, zoals in een verbond gebruikelijk is. De eenheid, gemeenschap van God en mensen staat centraal.

Deze maaltijd moest jaarlijks één maal gehouden worden. Daardoor krijgt deze maaltijd een bepaald ritueel karakter: het wordt een gedachtenismaal. In deze betekenis komt het begrip maaltijd verder in het OT niet voor. Het paasmaal is op dat punt uniek.

De tweede bijzondere maaltijd is beschreven in Exodus 24. De verbondsluiting.

Mozes bestijgt de berg Horeb, en de oudsten vieren de maaltijd van het verbond met het geslachte vee, waarvan het bloed is gesprenkeld op het volk. Daar kom ik straks nog uitgebreider op terug bij de uitleg van de paasmaaltijd van Jezus met Zijn discipelen.

Avondmaal in plaats van Pascha ?
De uitdrukking: ‘instelling van het avondmaal’ is een term die ontstaan is in de latere traditie van het christendom. Bij zorgvuldige lezing van de schaarse bijbelse gegevens valt het op dat Jezus bij de viering van het paasmaal niet iets heeft afgeschaft en ook eigenlijk niet iets nieuws heeft ingesteld. Jezus vierde gewoon de traditionele Joodse seideravond. Dat komt ook overeen met Jezus’ eigen woorden: ‘Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om te vervullen’ (Matt 5:17). De traditionele seideravond omvat een zeer uitgebreide maaltijd. Deze maaltijd is onderverdeeld in vier hoofdbestanddelen, die elk van elkaar onderscheiden worden door een beker wijn. Het aantal van vier bekers is niet toevallig, Dat is gebaseerd op Exodus 6:5. “Ik zal u uitvoeren van onder de lastdruk der Egyptenaren, ik zal u bevrijden van hun dienst, en Ik zal u redden met uit- gestrekte arm en grote strafgerichten en Ik zal u nemen voor Mij tot volk en Ik zal u tot God zijn.”

  • De eerste beker wordt gedronken bij de opening van de feestelijkheden terwijl men leunend aanligt, als symbool van vrijheid.
  • De tweede beker komt na het voorgerecht en dan stelt het jongste kind de vraag: “waarom is deze avond anders dan andere avonden. Er worden onderling verhalen verteld. Dan wordt de tweede beker wijn gedronken, ook leunend, als teken van vrijheid.
  • Na de overige gerechten, het eerste gedeelte van het Hallel (de psalmen 113 en 114) en het dankgebed volgt de derde beker wijn, als afsluiting van de eigenlijke maaltijd.
  • Kort daarna wordt de vierde beker ingeschonken, terwijl tegelijkertijd de deur opengezet wordt voor de profeet Elia. Dan volgt het tweede deel van het Hallel (de psalmen 115-118) en het Grote Hallel (psalm 136) Voorts wordt de reeds ingeschonken beker gedronken, waarna men afsluit onder meer met de uitspraak “Voer uw nakomelingen in vrijheid, juichend naar Sion”. (nu gevolgd door de bekende zin: “En volgend jaar in Jeruzalem”).

Het is waarschijnlijk dat Jezus deze maaltijd gevierd heeft. Dat blijkt uit de mededeling in twee evangelieverhalen dat Jezus met Zijn discipelen naar de olijfberg vertrok, na de lofzang gezongen te hebben. De lofzang is het Grote Hallel. (Matt 26:30 en Markus 14:26).

De viering van Jezus met Zijn leerlingen
Er was eigenlijk slechts sprake van één belangrijk verschil in de viering van Jezus, in vergelijking met de gewone traditionele viering. Aan dat verschil ontleent de christelijke gemeente haar avondmaalstraditie. Het gaat om de woorden:

  • ‘Dit is mijn lichaam’
  • ‘Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed’
  • ‘Doet dit tot Mijn gedachtenis’.

Het is mijn bedoeling om deze gang van zaken eerst te bekijken tegen de achtergrond van de Joodse traditie en een bijbelse visie op het Jodendom. In tweede instantie wil ik het hebben over de betekenis van dit alles voor de christelijke viering van de maaltijd van de Heer.

Dit is Mijn lichaam
De gewone traditioneel-Joodse formule vanaf het begin van de jaartelling luidt: “Dit is het brood van de ellende dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. Iedereen die honger heeft kan binnenkomen en mee eten. Iedereen die niets heeft kan met ons Pascha mee vieren”.

Het stukje matze dat bij die formule wordt getoond, wordt gebroken. Om de gebrokenheid van het volk der Hebreeën weer in gedachtenis te roepen. Zo als deze matze kapot wordt gemaakt, zo werden wij ook in Egypte kapot gemaakt. De discipelen kenden deze betekenis van jongst af. En wat zegt Jezus nu? Dit is mijn lichaam! Jezus vergelijkt dus het brood met Zijn lichaam. Zo zal ook mijn lichaam lijden – onderdukt – geslagen – verbroken worden. Het ongezuurde brood is hier het teken van de gehele maaltijd, van alles wat gegeten wordt, ook van het paaslam zelf. Door het brood te breken laat Jezus ook al Zijn leerlingen er aan deel hebben. Met deze handeling deelt Jezus Zijn lichaam uit. In tegenstelling tot de drinkbeker, die Jezus niet zelf drinkt (Matt 26:29) 1], eet Jezus ook. Samen met Zijn discipelen eet hij. Dat staat juist het meest indringend vermeld als het gaat om Judas Iskariot. Let wel. Judas wordt op geen enkele manier geweerd van deze maaltijd. Samen met Judas doopt Jezus de bete in de saus, en samen eten zij. Door deze handeling, ook met de andere discipelen, maakt Jezus alles wat gegeten wordt in de paasmaaltijd tot Zijn lichaam. Het breken verbreekt niet de eenheid van het lichaam maar schenkt alle leerlingen het deelhebben aan de eenheid. In het eten wordt het geheimenis geopenbaard dat Jezus’ lichaam, het vleesgeworden Woord en het volk van Israël één zijn. Het woord ‘lichaam’ staat symbool voor ‘het gestalte-krijgen van de Thorah’, De wil van God moet op volmaakte wijze op aarde gedaan worden. Het gehele volk krijgt in de verte- genwoordigers van de twaalf stammen, de discipelen deel aan die volmaaktheid. Het paaslam wordt niet geofferd, maar alleen gegeten. Dit eten wijst op een verbinding. Het is de verbinding met de ram van Abraham op Moria. Het bloed, dat aan de deurposten gestreken wordt is ook teken van het bloed van de ram die Abraham offerde op de berg Moria in de plaats van Izak.

Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed
De tweede buitengewoon wezenlijke gebeurtenis was aan het einde van de maaltijd. De derde of de vierde beker. Jezus sprak de woorden: deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed. Er bestaat een nauw verband tussen wat hier gebeurt en de verbondsluiting van Exodus 24.

In Ex 24:3 belooft het volk: “alle woorden die de Heer gesproken heeft zullen wij doen”. Daar beloofde het volk dat zij de wet, de Thora zou doen. Het eten van de matze, het lichaam van Christus, door de twaalf leerlingen van Jezus is het op zich nemen van de belofte om de wet te doen. De twaalf zijn representatief voor het hele volk, de twaalf stammen van Israël. Let wel, het gaat hier binnen de context van deze geschiedenis niet om de kerk. Hier is sprake van een gebeuren dat past binnen het kader van het volk Israël. Van de christelijke kerk is in dit stadium nog geen sprake. God sloot het Oude Verbond met Israël, zo sluit God hier het Nieuwe Verbond met Israël. Dat is in overeenstemming met de belofte, want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk (Rom 11:29). Wat hier gebeurt is de vernieuwing van het verbond van God met Israel.

“Mozes schreef al de woorden van de HERE op en maakte zich des morgens vroeg op en hij bouwde een altaar onder aan de berg en twaalf opgerichte stenen naar de twaalf stammen van Israël.” (Ex 24:4). De Thorah wordt door Mozes opgeschreven, vastgelegd. Dit alles heeft Jezus volmaakt gedaan, plaatsvervangend voor het volk. Hier wordt het vervuld. Mozes bouwde het altaar, en bij het altaar werden twaalf stenen voor de twaalf stammen van Israël opgesteld. Dan heeft het offer plaats. De jongelingen van Israël brengen het offer van jonge stieren als dankoffers voor God. De jongelingen zijn de eerstgeborenen. Wat hier gebeurt verwijst naar de Ram op de berg Moria, die in de plaats kwam van de eerstgeborene Izak. Offeren is letterlijk omhoogheffen. Het gaat om de betekenis van de bloedsymboliek. Het bloed verbindt met God. Het bloed is de ziel, die opstijgt tot de bron. Tot God Zelf. Het is een opstijgen tot verzoening. Dat is de betekenis van de bloed- en offersymboliek.

Nadat Mozes de helft van het bloed op het altaar gesprenkeld heeft stelt hij aan het hele volk de gehele Thorah voor. Zij zeggen dat zij die zullen doen. Nog eens herhalen zij de belofte. Eerst heeft Mozes de woorden gesproken. Nu heeft hij deze voorgelezen. Voorstellen en voorlezen zijn elk een symbolische handeling. Het laatst is de schriftelijke Thorah van Mozes, Het volk belooft nu deze te zullen doen. Er is een verschil. Het tweede is lichter. De geschreven Thorah is aangepast aan de zwakheid van het volk, de hardheid van hun hart. Maar de eerste belofte, die van de gehele Thorah, is ook gegeven. Die heeft in de volheid des tijds volmaakt gestalte gekregen in de vleesgeworden Thorah, in Jezus Christus. Na deze belofte wordt het verbond bevestigd. En Mozes nam het bloed, besprengde daarmee het volk en zeide: “Dit is het bloed des verbonds, dat de HEER met u sluit op al deze woorden”. Het sluiten van het verbond met God geschiedt door het bloed des verbonds. De stieren worden geofferd in de plaats van de oudste zonen. In de symboliek van de paasmaaltijd is het Paaslam in wezen de Ram van Abraham (Gen 22). Deze ram is in het jodendom zeer belangrijk. Wat de Joden belijden met betrekking tot de Ram belijdt de christelijke kerk met betrekking tot Jezus. De Joden geloven immers dat God de ram van Abraham van voor de grondlegging der wereld af gereed heeft gehouden voor het offer op de berg Moria 2].

Bij het paasmaal neemt Jezus de beker en zegent deze. De betekenis daarvan is dat Jezus alles verbindt met Zichzelf. Hij geeft de beker aan zijn twaalf leerlingen en daarmee aan de twaalf stammen van Israël. In Exodus wordt gesproken van de twaalf opgerichte stenen. De steen of zuil is een teken van het blijvend op God gericht zijn. Jezus zegt: Drinkt uit hem allen. Zijn lichaam heeft Hij ieder afzonderlijk gegeven. Uit deze ene beker moeten allen nu drinken. “Dit is mijn bloed”. Verduidelijkt wordt dat dit het bloed van Jezus is. Het is het bloed des verbonds. Hier zegt Jezus dat Zijn bloed het is, dat het bloed van de eerstgeborenen uit Israël vervangt. Zijn bloed is het bloed van de ram van Abraham, van het Paaslam, het bloed van de stieren, die de jongelingen in hun eigen plaats offerden. Hier heeft Jezus alle offers vervuld. Hij heeft Zich er mee verbonden. De HEER heeft in alle offers altijd al Hem gezien. Hij is altijd al de kracht geweest die de offers omhoog voerde. Zoals het zo prachtig wordt gezegd in de Joodse traditie dat de HEER bij alle offers, die in de tempel gebracht werden, lette op de as van de ram, die onder de tempel op de berg Moria lag 3].

Mozes heeft het bloed op het altaar gegoten en hij heeft het op het volk gegoten. Als Jezus nu zegt: dit is mijn bloed, dan zegt Jezus dat Hij het bloed waarmee Mozes sprenkelde tot Zijn eigen bloed verklaarde. Het is het bloed dat uitgegoten wordt over velen. Jezus zegt ook dat Zijn bloed uitgegoten wordt over het volk.

Het is merkwaardig dat het volk deze uitspraak letterlijk overneemt met de woorden “Zijn bloed over ons en onze kinderen”. Door de tijden heen zijn deze woorden misverstaan en daarmee uiterst negatief uitgelegd. In werkelijkheid ligt de betekenis in het verlengde van Ex 24. Zo is het bloed van Jezus over Israël. Dat bloed is over het volk gekomen tot vergeving, letterlijk: wegzending van de zonde. Welke zonden? In de eerste plaats de zonden van het volk als geheel. Het gaat om het tekort schieten in de verplichting van het verbond. Die verplichting is dat de de Thorah volkomen vlees wordt, gestalte krijgt in Israël. Als dat gebeurt zullen de volkeren daarvan de zegen ontvangen, van zonde ontslagen en uiteindelijk gered worden. De belofte is niet alleen voor het volk, maar voor alle volkeren: het gaat om velen.

Israël heeft de belofte slechts ten dele gehouden. Jezus heeft de belofte in hun plaats volledig waar gemaakt in het vlees. Zoals de stieren in de plaats van de jongelingen kwamen, zo kwam Jezus in de plaats van het volk. In Jezus is Israël volmaakt.

Ons avondmaal
Wat is van dit alles nu de betekenis voor de christelijke gemeente? Ook wij als christelijke gemeente vieren een gedachtenismaaltijd die wij doorgaans het Heilig Avondmaal noemen. Van de vroeg-christelijke gemeente lezen we dat ze (dagelijks) het brood aan huis braken. Dankzij een brief van Paulus aan de Korinthiers hebben we iets meer concrete informatie. Vanuit de evangelien weten we dat Jezus via de vertegenwoordigers van het volk, de twaal discipelen, een Nieuw Verbond met Israël heeft gesloten. Op het eerste oog heeft Jezus niets ingesteld, en zeker niets afgeschaft, maar deze verbondsluiting is in elk geval wel de voorwaarde waardoor wij, gelovigen uit de heidenen, avondmaal kunnen vieren. Na pinksteren is de Geest uitgestort op alle vlees. De beloften van het verbond zijn voor alle volkeren bestemd. Via Gods verbond met Israël zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Wij, gelovigen uit de heidenen herkennen de symboliek. Ook voor ons kan het samen uit eten gaan verband houden met een feest, een verbondsluiting, zoals een huwelijk, als dank voor bewezen diensten, een afgesloten contract en noem maar op. Het mooiste is dat al die aspecten ook weer te beleven zijn in de viering van het avondmaal. Wat dat betreft is er weinig veranderd. Toch denken we bij ons avondmaal eigenlijk doorgaans maar aan één aspect: “dat Jezus voor onze zonden gestorven is”. Dat geloven wij individueel, ieder voor zich, terwijl de symboliek van een maaltijd juist iets gemeenschappelijks inhoudt. Dat is vreemd. Ik denk dat dit komt doordat wij ten onrechte het lijden en sterven van Jezus niet verbinden met de nood en het onrecht op deze wereld. En dus ook niet met de belofte dat daar ooit eens een einde aan zal komen. Door een dergelijke eenzijdigheid kan het christelijk geloof iets wereldvreemds over zich krijgen. En dat terwijl in Jacobus 1:18 gelovigen ‘eerstelingen van de schepping’ worden genoemd. Dat belooft dus meer, en wij mogen delen in het voorrecht daar weet van te hebben. En juist dat weten, wordt door het geloof in het volbrachte werk van Jezus Christus vruchtbaar.

Zo kan een avondmaalviering iets worden wat Paulus bedoelt met de prachtige tekst aan het einde van de brief aan de Romeinen: De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden (Rom 16:20). En Johannes in zijn Openbaring: “Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam” (Openb 12:11).

————–

1. Jezus geeft Zijn bloed, hij ontvangt het niet Zelf. Zolang de wijn beeld is van zijn vergoten bloed drinkt Jezus niet van de vrucht van de wijnstok. Wel na de vernieuwing in het Koninkrijk. Jezus maakt wel deel uit van het éne lichaam. Col 1:18>Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente.Rasji bij Gen 22:14> In alle komende geslachten is op de berg de as van Isaac zichtbaar en bereid om te verzoenen. De as van Isaac is in werkelijkheid de as van de ram, die in zijn plaats is
geofferd. Op de vastendagen strooit men as op het hoofd opdat God de as van Isaac gedenkt.
De as ligt op de grond waar de tempel te Jeruzalem gebouwd was. JHWH ziet de as aan alsof zij
op het offeraltaar ligt. enz.

2. Dergelijke voorstellingen hebben altijd een diepere symbolische betekenis. In die zin zijn ze werkelijkheid. Ook het nieuwjaarsblazen met de ramshoorn (sjofar) hangt met deze ram samen. Rosh. Hash. 16a: “De Heilige, geprezen zij Zijn Naam, zeide: Blaas voor Mij op de ramshoorn, opdat Ik het offer van Isaac, de zoon van Abraham gedenke en Ik reken het hem aan als had gijlieden uzelf voor Mij laten binden”.

3. Rasji bij Gen 22:14> In alle komende geslachten is op de berg de as van Isaac zichtbaar en bereid om te verzoenen. De as van Isaac is in werkelijkheid de as van de ram, die in zijn plaats is geofferd. Op de vastendagen strooit men as op het hoofd opdat God de as van Isaac gedenkt. De as ligt op de grond waar de tempel te Jeruzalem gebouwd was. JHWH ziet de as aan alsof zij op het offeraltaar ligt.

Geplaatst in Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Nieuwe Testament | Een reactie plaatsen

Avondmaalmijding 2.0

Er schijnt in Protestantse gemeenten iets aan de hand te zijn met het Avondmaal. Ik kwam zoiets tegen op een weblog 1] van een dominee. Het zou gaan over een nieuwe vorm van avondmaalmijding. Veel gemeenten zijn al sinds decennia vertrouwd met het fenomeen waarbij mensen het avondmaal mijden omdat ze denken te zondig te zijn of geen deel denken te hebben aan de genade in Christus. Een onuitroeibaar kwaad waarbij pure bevindelijke vroomheid maar ook hoogmoed een rol kan spelen. Het hangt vooral samen met een uitleg van 1 Kor 11:29 waar gesproken wordt over het zichzelf een oordeel eten en drinken. Hierbij is het klassieke avondmaalformulier de kwade genius want daarin wordt deze tekst genoemd in het kader van het zelfonderzoek. Hoewel de context van die bijbeltekst duidelijk aangeeft dat het hierbij gaat om dronkenschap tijdens het vroegchristelijke avondmaal .

Het voert te ver om daar nu diep op in te gaan. Het gaat dus om een nieuw fenomeen: een nieuw argument voor avondmaalmijding. Jonge, enthousiaste christenen, die belijdenis hebben gedaan, doen in avondmaaldiensten niet meer mee. Sterker zelfs: zij hebben helemaal niets met het avondmaal zoals dat in de kerk gevierd wordt. Het is niet helemaal duidelijk of dat komt doordat ze het als kind nooit hoefden mee te maken vanwege het bestaan van de grootste concurrent van de zondagse eredienst, de  kinderkerk of dat ouders het ‘gewoon’ niet nodig vinden dat de kinderen meegaan naar de kerk als het avondmaal gevierd wordt. Dominee M.J. Schuurman verwijst op zijn weblog naar een conferentie van de Gereformeerde Bond, waar ook evangelische invloeden genoemd werden als oorzaak.

Een dergelijke diagnose lijkt niet zo veel op het spreekwoordelijke ‘zelfonderzoek’, dat juist zo nodig heet zodra het over het Avondmaal gaat. Is het nu echt zo moeilijk om, als kerk, de oorzaak eens in het eigen kerkelijke systeem te zoeken? Al heel lang is het overduidelijk dat het Avondmaal in veel gemeenten een ritueel is waarbij iedereen het ineens nodig schijnt te vinden zijn somberste gezicht mee te nemen naar de kerk. Ook het klassieke formulier en de week van voorbereiding staan garant voor een loodzware ernst tijdens dergelijke kerkdiensten. En dan heb ik het nog niet eens over de censura morum zitting van de kerkenraad in de week van voorbereiding. Hoewel daar nooit iemand op af schijnt te komen heeft het begrip als zodanig een sombere onheilspellende klank. De vraag moet gesteld: kan er met zoveel dompers, vooraf en tijdens de viering, nog wel sprake zijn van een viering van het Heilig Avondmaal?

Wat de nieuwe categorie avondmaalmijders denkt over het traditionele gereformeerde avondmaal komt bij mij helemaal niet over als iets nieuws. Ik ken het avondmaal in de kerk niet anders dan in de sfeer van het evangelie in de somberst denkbare verpakking. Ook wil ik noemen het individualistische karakter van de gereformeerde avondmaalspiritualiteit. Iedere deelnemer wordt geacht om aan de tafel over het welzijn van het eigen zieltje te navelstaren terwijl de symboliek van een maaltijd verwijst naar iets gemeenschappelijks. Hervormde avondmaalviering in deze context is heel moeilijk te zien als een middel tot versterking van het geloof.

Al vaker heb ik tegenover medekerkgangers en kerkenraadsleden de argumenten genoemd die ik zojuist opsomde. Daarbij heb ik ook benoemd dat de diaconale insteek van het Avondmaal ook meer inhoudelijk kan worden ingevuld. Bijvoorbeeld de voorbede verplaatsen naar de viering van het Avondmaal. Maar ja, traditie is altijd een taai fenomeen! Van de traditionele kant is de avondmaalproblematiek ook niet goed bespreekbaar. Dat merkte ik ook bij het lezen van de blog van dominee M.J. Schuurman. De zorg lijkt er vooral te hangen rond de meer formele aspecten: de dominee als bediener van het avondmaal. Een viering thuis, in de privésfeer, past niet binnen het kerkelijke denken. Vreemd eigenlijk, als we beseffen dat ‘het laatste avondmaal’ dat door Jezus en zijn discipelen gevierd werd een viering was van de Joodse Seideravond. Iets wat gewoon in elk huis waar Joden woonden, in de privésfeer, gebeurde en nog steeds op die manier plaatsvindt.

Het christelijke Avondmaal is een viering die afgeleid is van een viering met een Joods karakter in een Joodse context. Ligt het niet veel meer voor de hand om het gereformeerde avondmaal zoals we dat nu kennen te herijken aan de Joodse context waarin het in het oerchristendom is ontstaan? Misschien is het dan wel winst als christenen voortaan het avondmaal (ook) in huiselijke kring vieren. Zonder het loodzware formulier en zonder censura morum. Dat lijkt me meer vruchtbaar dan de pogingen, die op voorhand kansloos zijn en waarmee men probeert dode traditionele vormen nieuw leven in te blazen.

—————–

1. De weblog van ds. M.J. Schuurman: http://mjschuurman.wordpress.com/?s=avondmaal

 

 

Geplaatst in Bijbelse exegese, Bijbelse theologie, Canoniek, Israël-debat, Nieuwe Testament, Schrift en/of Belijden | 4 reacties

De verdwijning van het protestantisme

Het protestantisme is bezig te verdwijnen. Dat geldt niet alleen de vrijzinnige stromingen.  Die doen het zelfs nog goed door toedoen van een open houding naar andere opvattingen. Nog niet zolang geleden was de orthodoxe variant in de kerk nog stoer met slogans als “de nood van de kerk is de nood van de prediking”. maar vooral de laatste tien jaar is ook in dat segment van de kerk een neerwaartse spiraal te signaleren. En ook evangelische gemeenten hebben hun beste tijd gehad. Alleen de diverse stromingen onder de bevindelijk gereformeerden vormen nog een uitzondering. Maar ook daar is sprake van erosie. Veel predikanten die lid zijn van de gereformeerde bond in de Protestantse Kerk zijn na de scheuring met de Hersteld Hervormden in snel tempo ‘vagebonders’ geworden. Dat kon makkelijk zo gebeuren omdat de bonders niet langer de hete adem van de bezwaarde gemeenteleden in de nek voelden maar in plaats daarvan des te meer geconfronteerd worden met  gemeenteleden die liturgische vernieuwing wensen.

Toerusting in de kerk
Er is in de moderne orthodoxie bijna geen sprake meer van toerusting die dieper gaat dan de oppervlakte van een plat bord. Er is zoiets als een elfde gebod binnengeslopen in de kerk: “gij zult niet nadenken!” Alles moet eenvoudig zijn, in de betekenis van simpel. Bovendien is het een trend geworden dat tijdens bijeenkomsten van bijbel- en gesprekskringen elke mening, mits het benoemen daarvan niet al te lastig aanvoelt voor de andere deelnemers, evenveel waard is. Elke te lastige vraag en elke uitleg met enige diepgang wordt direct afgeserveerd. Op die manier is er natuurlijk geen sprake meer van echte bijbelstudie. Bij een echte gemeenschappelijke bijbelstudie zoek je samen naar onderlinge verbanden tussen diverse bijbelpassages die van belang zijn erbij te nemen. Ik heb bijbelkringen meegemaakt waar geen enkele deelnemer een bijbel bij zich had. Zelfs heb ik meegemaakt dat de te bespreken bijbelpassage voor iedereen op een a4-tje beschikbaar was. Alsof een bijbelfragment op zichzelf te bevatten is.

Het hoeft dan niet te verbazen dat de bespreking van een bijbelgedeelte niet meer oplevert dan een uitwisseling van weinig gefundeerde meningen en geloofservaringen. De dominee die leiding geeft, heeft geen andere rol dan alles wat gezegd is aan elkaar te praten om het er op te laten lijken dat iedereen het met elkaar eens is. Het is zeer de vraag wat ermee gewonnen is om op de hoogte te worden gebracht van een scala aan geloofservaringen en -belevingen. Daarbij komt dat zelden sprake is van meningen die worden gemotiveerd. Motiveren vergt nadenken en nadenken is iets waar de meeste deelnemers aan kerkelijke kringwerk een bloedhekel aan hebben. Van bijbelse onderbouwing van enig gehalte is al helemaal geen sprake en als iemand de euvele moed heeft iets te proberen in die richting wordt die poging direct onbarmhartig neergesabeld.

De kerkdienst
Al lange tijd is er in orthodox christelijke kring sprake van een proces dat wel eens het proces van verkleutering is genoemd. Inmiddels is aan dat proces ook de zondagse kerkdienst opgeofferd. In veel kerken is de zondagse kerkdienst niet meer dan een knusse bijeenkomst waarbij de liturgie de functie heeft de boel op te leuken. De eigenlijke betekenis van liturgie is ‘de orde van een gezamenlijke dienst aan God’. Liturgie heeft dus in wezen niets van doen met opleuken. Een commissie eredienst die dit niet weet heeft een probleem. Deelnemers aan zo’n commissie weten niet dat bezig zijn met liturgie ook theologische kennis veronderstelt. Hun commissie heeft eigenlijk geen andere functie dan die van een feestcommissie. Dan moet je niet vreemd opkijken als er inhoudelijk gezien uiteindelijk nog slechts een bleke kerkdienst resteert. Het gemiddelde gemeentelid  wil ook niet anders meer dan bevestigd worden in de eigen ervaringen. Iets bijleren is niet meer welkom. En dan heb ik het nog niet eens over het steeds vaker voorkomend gezwijmel dat dan moet doorgaan voor ‘woordverkondiging’. Het gaat dan niet meer over de inhoud laat staan over de kwaliteit. De liedjes moeten leuker, vooral opwekkingsliederen want die zijn tegenwoordig hip. Niet meer die saaie psalmen en gezangen. En de preek moet vooral simpel zijn en liefst ook grappig. En na de dienst gezellig koffiedrinken om nog wat na te babbelen over de pas genoten vakantie of over de vakanties die er nog aankomen.

De functie van dominee
Ik heb me wel eens afgevraagd of alle mensen die de hele dienst naar de man op de preekstoel kijken wel echt horen wat die man zegt. Ik denk dat de meeste kerkgangers alleen maar doen alsof ze luisteren. Ze kijken braaf naar de dominee omdat dit zo hoort maar in werkelijkheid horen ze niets. Als de kerkenraad een aap met een jurk aan op de preekstoel zou zetten luisteren ze nog.

Hoe kan het gebeuren dat iemand die zes jaar theologie heeft gestudeerd aan een universiteit zich een rol laat welgevallen waarvoor een kerk veel beter een clown in dienst zou kunnen nemen. Daar moet elke theoloog die zijn of haar vak serieus neemt op den duur een gigantisch minderwaardigheidscomplex aan overhouden! Zou dat de verklaring zijn van het grote aantal predikanten met een burn-out?

Toekomst
De meeste kerkgangers hebben geen enkele behoefte aan echte toerusting. Niet door middel van bijbelkringwerk en een dominee die te moeilijk preekt is ook niet meer welkom. Er is zelfs sprake van een vijandige houding naar alles wat te maken heeft met diepgang. Het is een vorm van nihilisme.

Een christen die niets wil weten over het eigen geloof is als een voetballer die niets met voetballen heeft. Of als een schaker die er maar wat op los schuift met zijn stukken op het schaakbord. Het kan niet anders of deze ontwikkeling moet het begin van het einde zijn van het orthodox gereformeerde protestantisme.

 

 

Geplaatst in Bijbelse theologie | 3 reacties

God en het kwaad

In een landelijk kerkelijk opinietijdschrift 1] werd de vraag gesteld naar God en het kwaad, concreet: naar de rol van God in het kwaad. Dit gebeurde naar aanleiding van 2 Samuel 24:1.

2 Samuel 24:1 > De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël. Hij zette David op door te zeggen: Ga Israël en Juda tellen.

Het verbaast me dat de dominee die de vraag moet beantwoorden 2] verwijst naar 1 Kronieken 21:1 alleen maar om aan te tonen dat het eigenlijk de satan geweest moet zijn die David tot de volkstelling aandreef. Zodoende laat de beantwoorder van de vraag deze tekst slechts dienst doen als bliksemafleider van een te lastige problematiek, die opgeroepen wordt door een andere Bijbeltekst waarin God genoemd wordt als de aanstichter van de telling. 1 Kronieken 21:1 maakt voluit deel uit van dezelfde problematiek die opgeroepen wordt door 2 Samuel 24:1. Vertegenwoordigt Satan een zelfstandige macht? Is Satan een macht die onafhankelijk zijn plannen bedenkt terwijl God moet afwachten wat zijn tegenstander nu weer in petto heeft?

1 Kron 21:1 > Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.

Ds. Boele begint zijn antwoord met de opmerking:

Inderdaad staat onomstotelijk vast dat de HEERE nooit de bewerker van het kwade is. Jakobus schrijft: ‘Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik wordt door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand’ (Jakobus 1:13).

En naar aanleiding van 1 Kronieken 21:1 schrijft hij:

De schrijver van 1 Kronieken 21 wijst ons er op dat de satan erbij betrokken is, die niets liever wil dan mensen verzoeken met als doel dat ze in de zonde vallen… Al met al voor ons heel ingewikkeld om te doorzien welke rol ieder in deze geschiedenis speelt. Duidelijk is in ieder geval dat de HEERE geen enkele blaam treft.

Er is dus de merkwaardige situatie waarbij in de ene bijbeltekst God iets tegen Israël heeft en daarom David aanzet tot een volkstelling terwijl in een ander deel van de bijbel David door satan tot deze actie wordt gedreven. Dergelijke teksten worden bij veel lezers als tegenstrijdig ervaren. Eigenlijk komt ds. Boele in heel zijn betoog niet toe aan een ècht antwoord. De problematiek wordt op een stichtelijke manier glad gestreken. Het kan zijn dat de vraag naar aanleiding van 2 Samuel 24:1 heel lastig te beantwoorden is binnen de vertrouwde dogmatische kaders. Het lijkt erop dat de dominee er van meet af aan op uit is om God uit de wind te houden. Het lukt hem in elk geval niet op een overtuigende manier. Vanaf het begin van zijn antwoord is al duidelijk waar hij naar toe wil: “Vast staat dat de HEERE nooit de bewerker van het kwaad is”. Deze stelling staat zelfs tussen de tekst van het artikel vet gedrukt in een kader. Ds. Boele begint zijn beantwoording van de vraag met deze ‘onomstotelijke’ vaststelling, terwijl in dat stadium van de beantwoording nog helemaal niets vast staat. Het antwoord moet nog komen op hoe de diverse Bijbelteksten met elkaar in verband staan. Terecht  noemt ds. Boele heel speciaal Jakobus 1:13 Maar ook die tekst maakt deel uit van de problematiek en kan hier niet zomaar dienst doen als katalysator

toelaten…
Nog een citaat uit de beantwoording van ds. Boele:

De kant die de schrijver van 2 Samuel vooral belicht, is dat de HEERE, ondanks de verzoeking van satan (die Hij toelaat), de zwakte van koning David, toch uiteindelijk alle dingen bestuurt en laat meewerken aan het bereiken van zijn doel(en).

Voor wie ervan doordrongen is dat God alle dingen bestuurt kan 2 Samuel 24:1 geen problemen opleveren. Zo duidelijk ligt het echter niet voor orthodoxe christenen. Het is een vertrouwde escape om het woord ‘toelaten’ te introduceren zodra de rol van God in het kwaad weggepoetst moet worden: God laat het toe dat satan David aanzet tot een volkstelling. Het woord ‘toelaten’ is al eerder gevallen in een citaat uit de kanttekeningen op de Statenvertaling bij 2 Samuel 24:1

Te weten, de Heere. Niet dat Hij zulks zou hebben ingegeven, maar omdat Hij, naar Zijn verborgen regering de satan zulks heeft willen toelaten en hem gebruiken tot een verdiende bestraffing der Israëlieten en tot kastijding en vernedering van David.

Het is de vraag of de dogmatische slogan ‘onder de toelating Gods’ helpt. Is de idee als zodanig voldoende overtuigend om hiermee aan te tonen dat God hier ‘geen blaam treft’? Als God alleen iets toelaat dan neemt God op de keper beschouwd wel degelijk een beslissing. Het kan niet zijn dat een almachtige God in passieve zin iets maar laat gebeuren, iets toelaat. De oplossing van het probleem is simpel: David moet er toe worden aangezet om het volk te tellen. En God maakt daarbij gebruik van de diensten van satan. Je zou het kunnen vergelijken met een uitspraak van de profeet Micha (ben Jimla) in 1 Koningen 22:19-23 (zie ook 2 Kronieken 18:19-22) >

19 Verder zeide hij: Daarom hoor het woord des HEEREN: Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand.
20 En de HEERE zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo.
21 Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede?
22 En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.
23 Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van al deze uw profeten gegeven; en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.

God vraagt in een vergadering van de hemelse raad of er een vrijwilliger is die dienst wil doen als leugengeest. Ook in deze geschiedenis is geen sprake van een passief ‘toelaten’ door God. De situatie is er niet één waarin God wegkijkt als een leugengeest uit eigen initiatief een boos plannetje ten uitvoer gaat brengen. De tekst laat er geen misverstand over bestaan dat God hier volledig de regie heeft. God is hier zelfs de bedenker van het plan om Achab te misleiden: “wie zal Achab overreden.”

meer bijbelse voorbeelden 
Naast de leugengeest die de profeten van Achab moet misleiden zijn er veel meer Bijbelpassages te noemen die vragen oproepen vergelijkbaar met die van 2 Samuel 24:1. Het is God die Abraham beveelt om zijn zoon Izak te offeren (Gen 22:2) hoewel kinderoffers in Gods ogen een gruwel zijn (Jer 19:5; Ezech 20:31). God staat satan toe om Job in het ongeluk te storten en Job schrijft de hele situatie die hij meemaakt aan God toe: “Wil Hij mij doden, ik blijf op hem hopen.” (Job 13:15). Volgens Jesaja 45:7 is het God die het heil bewerkt en het onheil schept. Volgens Amos 3:6 gebeurt er geen ramp of God moet de bewerker ervan zijn. Achabs legeroverste Jehu krijgt nadat één van de profeten (in opdracht van de profeet Elisa) hem tot koning heeft gezalfd de opdracht om het gehele geslacht van Achab uit te roeien (2 Kon 9:7-10). Die daad van Jehu wordt later door de profeet Hosea getypeerd als de bloedschuld van Jizreël (Hosea 1:4) nadat nota bene God  zelf Jehu om dezelfde daad beloonde met een dynastie van maar liefst vier geslachten (2 Kon 10:30). Het is de Heilige Geest die Jezus  wegleidt in de woestijn om door de duivel verzocht te worden (Matth 4:1). En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Heldere antwoorden
Ik vraag me af waarom ds. Boele niet gewoon voluit de bijbel laat spreken in plaats van zich met een Jantje van Leiden af te maken van een moeilijke vraag van een kerkganger die de bijbel leest. Op kerkgangers, die zelfstandig de bijbel lezen en die daarbij toelaten dat er vragen opborrelen moet je zuinig zijn in de kerk. Dergelijke kerkgangers zijn zeldzaam geworden. Waarom brengt een dominee die natuurlijk enthousiast moet zijn over zo’n goede vraag, niet meteen de hele bijbelse samenhang rond het thema van de vraagstelling onder woorden? Dat zou een eerlijker antwoord zijn geweest dan de tegenstrijdigheden die hij nu zelf heeft opgeroepen in zijn artikel. Nadat ik het antwoord van de dominee gelezen had kreeg ik de indruk dat 2 Samuel 24:1 een eenzame zwerfsteen moet zijn in de bijbel.  Misschien wel een onvoorzichtig geformuleerde conclusie van de auteur van het Bijbelboek 2 Samuel. In de paragraaf hiervoor heb ik aangetoond dat in werkelijkheid veel meer passages in de bijbel voorkomen die op één of andere manier God in verband brengen met één of andere vorm van kwaad. De kwestie houdt verband met het consequente monotheïsme dat we in de bijbel aantreffen: er is één God. Het kan niet zo zijn dat de satan of het kwaad of wie dan ook een zelfstandige macht zou vormen, naast of tegenover de God die zichzelf op talrijke plaatsen in de Schrift heeft geopenbaard als de almachtige God. Een almachtige God kan nu eenmaal geen èchte concurrenten naast zich hebben. Vandaar de bekende bijbelse uitdrukking voor de vermeende concurrenten van God: afgoden. Formuleringen als die van 2 Samuel 24:1 passen helemaal in de strikte lijn van de bijbelse Godsleer: er is één God.

1. De Waarheidsvriend. Jaargang 2014, 24 april, nr 17, p7.

2. Ds C. Boele. Hervormd predikant te Oud Beijerland  

Aside | Geplaatst op door | 1 reactie